Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.5.5
4.5.5 Non-punishment in Europese regelgeving
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad, PbEU 2011, L 101/1.
Zie overweging 7 van de richtlijn.
Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad, PbEU 2011, L 335/1.
Zie overweging 24 van de richtlijn.
Een andere kwestie betreft de vraag of er een speciale voorziening dient te zijn voor slachtoffers van strafbare feiten die zelf ook delicten hebben gepleegd. Enkele Europese wetgevingsinstrumenten verplichten de lidstaten van de Europese Unie om tegelijk met de daarin vervatte strafbaarstellingen ook voor een regeling te zorgen, waardoor slachtoffers van die delicten niet vervolgd hoeven te worden als ze van andere strafbare feiten worden verdacht. In artikel 7 van de Richtlijn mensenhandel1 is dat als volgt omschreven: ‘De lidstaten voorzien, in overeenstemming met de grondbeginselen van hun rechtsstelsel, in de mogelijkheid dat slachtoffers van mensenhandel niet worden vervolgd en bestraft wegens gedwongen betrokkenheid bij criminele activiteiten die een rechtstreeks gevolg is van een van de in artikel 2 bedoelde, jegens hen gepleegde handelingen.’ Voorbeelden van criminele activiteiten waarbij slachtoffers van mensenhandel betrokken kunnen zijn omvatten het gebruik van valse documenten en strafbare feiten in de zin van de prostitutie- of immigratiewetgeving.2 Daarbij zou dienen te gelden, volgens de overweging, dat zij tot het plegen van die strafbare feiten gedwongen zijn als rechtstreeks gevolg van het feit dat zij slachtoffer zijn van mensenhandel. De richtlijn geeft ook expliciet aan wat de bedoeling is van deze regeling: ‘de mensenrechten van de slachtoffers te beschermen, verder slachtofferschap te voorkomen en hen aan te moedigen als getuige tegen de daders op te treden in de strafprocedure.’ Uit deze overweging blijkt de bestrijding van mensenhandel volgens de richtlijn vooral gerechtvaardigd wordt vanwege de inbreuk die op de mensenrechten van de slachtoffer wordt gemaakt. Het doel van de regeling kent echter ook zijn grenzen, want de overweging bevat ook een opmerking over beperkingen van de niet-vervolging van slachtoffers: ‘Deze bescherming belet niet dat zij kunnen worden vervolgd of gestraft voor delicten die zij opzettelijk hebben begaan of waaraan zij opzettelijk hebben deelgenomen.’ Wanneer die opmerking wordt bezien tegen de achtergrond van de uitleg van het opzet in het Nederlandse strafrecht, is de reikwijdte ervan niet erg groot. Het opzettelijk plegen van een misdrijf, zoals het bezitten van een vervalst paspoort, is immers niet moeilijk te bewijzen. In die gevallen geldt de nonpunishment clausule niet, en hoeft er geen voorziening te zijn die het mogelijk maakt dat slachtoffers van mensenhandel niet worden vervolgd. Dat zou betekenen dat de richtlijnverplichting om niet-vervolging mogelijk te maken weinig omvang heeft. Wanneer het opzet minder ruim zou moeten worden uitgelegd, wordt de beschermingsomvang groter. Dat neemt niet weg dat ook dan het opportuniteitsbeginsel in de mogelijkheden voorziet om slachtoffer van mensenhandel niet te vervolgen. De implementatie van deze bepaling uit de richtlijn zal dan voor Nederland ook weinig gevolgen hebben.
Iets soortgelijks geldt ten aanzien van de Richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.3 Deze richtlijn bepaalt in artikel 14: ‘De lidstaten nemen, in overeenstemming met de grondbeginselen van hun rechtsorde, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde nationale autoriteiten gerechtigd zijn kindslachtoffers van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting niet te vervolgen of te bestraffen wegens gedwongen betrokkenheid bij criminele activiteiten, wanneer deze betrokkenheid rechtstreeks voortvloeit uit het feit dat ze slachtoffer zijn van een van de in artikel 4, leden 2, 3, 5 en 6 en in artikel 5, lid 6, bedoelde handelingen.’ Volgens de overwegingen bij deze richtlijn heeft deze bepaling voornamelijk als doel om secundaire victimisatie te voorkomen. Deze bepaling is bovendien in de richtlijn opgenomen omdat er lidstaten zijn waar prostitutie of het verschijnen in pornografisch materiaal strafbaar is, en daarom werd het nodig geacht te bepalen dat, wanneer een slachtoffer daartoe gedwongen is, het mogelijk moet zijn om het slachtoffer niet te vervolgen.4
Slachtoffers spelen dus duidelijk een rol in de Europese activiteiten op het gebied van het strafrecht. Deze gaan echter niet zover dat slachtoffers het recht zouden krijgen om te mogen beslissen over het instellen van vervolging. Desondanks neemt de mate waarin slachtoffers de vervolgingsbeslissing kunnen beïnvloeden wel toe, maar dat is niet alleen de invloed van het recht van de Europese Unie. Ook in de Nederlandse context wordt steeds meer belang gehecht aan een sterke positie van slachtoffers in het strafproces. Voorlopig is daarin echter geen duidelijke inbreuk op het opportuniteitsbeginsel te herkennen, hoewel de belangen van slachtoffers wel een voorkeursbehandeling dienen te krijgen bij de beslissing tot welke afdoening dient te worden gekomen. Deels verkrijgt het opportuniteitsbeginsel als gevolg van het Europese recht ook een sterkere positie, doordat lidstaten verplicht zijn om de mogelijkheden te hebben vervolging achterwege te laten wanneer slachtoffers van strafbare feiten als mensenhandel zelf ook verdachte zijn van een ander feit.