Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.8:7.8 Geen juridische bewijstheorie
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.8
7.8 Geen juridische bewijstheorie
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Knigge 2008, p. 234.
Van Koppen 2011, p. 253.
Nijboer 2011, § 3.1. Zie ook de conclusie van Aben onder HR 8 juni 2010, LJN BM3636.
Zie § 7.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hiervoor beschreven regels bieden het wettelijk kader waarbinnen de rechter tot een beslissing moet komen. Geconstateerd moet worden dat de wettelijke waarborgen zoals de wetgever van 1926 voor ogen had, in belangrijke mate zijn uitgehold. Daar staat tegenover dat vanuit de jurisprudentie wel enige aanvullende normering is gekomen. De wettelijke en jurisprudentiële regeling bieden de rechter wel enige houvast, maar raken slechts zijdelings aan de kern van het proces van bewijzen. Knigge stelt dat als gevolg van de vrijheid die de rechter altijd is gelaten, in de jurisprudentie geen bewijsleer tot ontwikkeling is gekomen.
‘Het ontbreekt aan een set op de rechtspsychologie geënte, algemeen geaccepteerde uitgangspunten en criteria die richting geven aan de bewijswaardering. Een dergelijke bewijsleer biedt de rechter houvast, maar beperkt tegelijk zijn waarderingsvrijheid. Er worden immers (nadere) eisen gesteld aan het bewijs. Denkbaar is bijvoorbeeld de invoering van een bewijsregel die niet, of alleen onder bepaalde voorwaarden, toestaat dat het daderschap uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebaseerd op één enkelvoudige spiegelconfrontatie.’1
Ook Van Koppen constateert dat in Nederland geen theorievorming bestaat met betrekking tot de wijze waarop de bewijsbeslissing moet worden genomen en de rol die de bewijsmiddelen daarbij spelen.2 Door het ontbreken van een bewijsleer zijn rechters genoodzaakt zelf het toetsingskader te bepalen als het gaat om waardering en gebruik van getuigenverklaringen. De jurisprudentie ten aanzien van artikel 342 lid 2 Sv (het wettelijk bewijsminimum ten aanzien van getuigen) biedt slechts in heel beperkte mate houvast als het gaat om de beslissing als geheel en voorziet niet in een kader voor bijvoorbeeld de analyse van getuigenverklaringen.
Dat in Nederland geen bewijsleer tot ontwikkeling is gekomen, is waarschijnlijk het gevolg van een combinatie van factoren. Allereerst is de terughoudende rol van de Hoge Raad in dit opzicht een belangrijke factor. De Hoge Raad toetst wel of de gebezigde bewijsmiddelen redengevend kunnen zijn en de bewijsconstructie als geheel volledig en consistent is,3 maar probeert zich voor het overige verre te houden van kwesties die raken aan de selectie en waardering van het bewijs. Dit vanuit de gedachte dat dit primair het domein is van de feitenrechter en diens vrijheid in dat opzicht niet moet worden beknot. Een andere factor betreft het feit dat het Wetboek van Strafvordering wel degelijk voorziet in regels, waardoor het idee kan ontstaan dat als die regels maar in acht worden genomen, dit automatisch zal leiden tot juiste (of in ieder geval juridisch houdbare) beslissingen. Echter, de bewijsregels stammen uit 1926 en zijn betrekkelijk uitwendig. Zo geven de bewijsminimumregels weliswaar een methodologisch minimum, maar zij bieden geenszins een garantie voor een feitelijk juiste (in de zin van accurate) beslissing. Daar komt bij dat de wettelijke onderscheiding van bronnen in verschillende bewijsmiddelen een formalistische benaderingswijze in de hand heeft gewerkt. Het strafrechtelijk bewijsstelsel zoals dat nog steeds in de wet is neergelegd, gaat primair over de vorm, vooral daar de inhoudelijke vereisten – zoals de wetgever van 1926 voor ogen had – in de praktijk erg zijn uitgehold. Dit heeft tot discussie geleid over de kwalificatie van ons wettelijk bewijsstelsel.4 Veel belangrijker nog is het antwoord op de vraag hoe rechters kunnen worden geholpen bij het nemen van methodologisch verantwoorde (en daarmee zoveel mogelijk juiste) beslissingen. De wet biedt de rechter immers nauwelijks houvast. Enige theorievorming op dit punt zou in een behoefte kunnen voorzien.