Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.5.5
16.5.5 Doorwerking van de omkering bij verzuimboetes?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940805:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daaromtrent nader paragraaf 16.6.3.3 hierna. Bovendien moet de inspecteur dat impliciete element ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen, zie paragraaf 13.4.1.
Zie paragraaf 13.3.5.1.3.
Zie paragraaf 16.5.2.
Als er, anders dan de op basis van de omkering bepaalde heffing, geen bewijs is voor het hebben begaan van het kale beboetbare feit, kan er dus evenmin een verzuimboete worden opgelegd. Vgl. de cirkelredenering zoals besproken in paragraaf 16.5.3.2.
Zie daarover nader paragraaf 16.5.3.2. Bij categorie I-triggers ligt dat voor de hand, zeker wanneer het gaat om materiële aangiftefouten (zie paragraaf 7.4.4.2.3).
Zie paragraaf 16.5.3.1 hiervoor.
Vgl. ook hetgeen ik eerder opmerkte over het object van het impliciete schuldverband, zie paragraaf 9.3.2.2 en paragraaf 9.3.3.
Paragraaf 23 en 24 BBBB en paragraaf 24a (oud) BBBB. Zie daaromtrent nader paragraaf 9.3.3.3.1.
Zie de Aantekening bij HR 17 februari 2012, V-N 2012/12.5.
Het gaat om de verzuimboete ter zake van de bijzondere naheffingen op grond van de Wet MRB en de verzuimboete van art. 102a Wet op de accijns (zie paragraaf 5.3.2).
Zie daaromtrent nader paragraaf 9.3.3.3.1.
In BNB 2008/165 en in BNB 2011/206 en BNB 2011/207 is de Hoge Raad specifiek ingegaan op de doorwerking bij vergrijpboetes. De Hoge Raad heeft zich nog niet expliciet uitgesproken over de doorwerking van de omkering bij verzuimboetes. Het kan verleidelijk zijn om (a contrario) te redeneren dat de omkering van de bewijslast wél ten volle door zou kunnen werken bij verzuimboetes. Dat is naar mijn mening echter niet juist, in de eerste plaats omdat ook voor verzuimboetes, ondanks het ontbreken van een expliciet schuldverband in de delictsomschrijving, in mijn optiek altijd het bewijs van ten minste enige schuld is vereist.1
In de tweede plaats moet het kale beboetbare feit naar mijn mening ook bij verzuimboetes afzonderlijk (en ‘beyond reasonable doubt’2) worden bewezen. De omschrijving van het kale beboetbare feit van art. 67c AWR is identiek aan die van art. 67f AWR: in beide gevallen gaat het om het (gedeeltelijk) niet of te laat betalen bij een aangiftebelasting. Niet valt in te zien waarom er voor het bewijs van dat element andere regels zouden gelden dan voor vergrijpboetes.3 In art. 67a en art. 67b AWR gaat het om aangifteverzuimen (het niet, te laat, onjuist of onvolledig doen van aangifte). Ook bij deze verzuimen mag de omkering niet doorwerken naar het bewijs van het hebben begaan van het kale beboetbare feit.4 Wel kan onder omstandigheden een vermoeden worden ontleend aan de toepasselijke trigger voor de omkering.5
Ten slotte gelden de uitgangspunten zoals de Hoge Raad die ten aanzien van de doorwerking van de omkering naar de strafmaat heeft geformuleerd voor vergrijpboetes, naar mijn mening evenzeer voor verzuimboetes. De hoogte van de alsnog verschuldigde belasting is bij verzuimboetes immers als zodanig niet een element van de delictsomschrijving. Van een wettelijke grondslagkoppeling zoals bij vergrijpboetes is geen sprake:6 in plaats daarvan geeft de wet bij verzuimboetes een absoluut strafmaximum, dat niet is gekoppeld aan de omvang van de heffing.7 De verzuimboete van art. 67c AWR kent niettemin een grondslagkoppeling, die is geregeld in het BBBB.8 De omkering kan bij deze boete dus doorwerken in de strafmaat.9 Naar mijn opvatting is er geen goede grond waarom bij vergrijpboetes nog wél een aanvullende matiging zou plaatsvinden, terwijl dat bij de verzuimboete van art. 67c AWR achterwege zou moeten blijven. Ik zie geen principieel verschil: de bestaande onzekerheden over de omvang van die heffing als boetegrondslag zijn bij verzuimboetes immers net zo groot. Bovendien gaat het om individuele straftoemeting: waarom zou de toepassing van de omkering alleen bij vergrijpboetes gelden als een daarbij in aanmerking te nemen relevante omstandigheid? De Redactie Vakstudie-Nieuws meent evenwel dat verzuimboetes in feite buiten de actieradius van de omkering liggen, zodat de toepassing van de omkering geen reden kan zijn om verzuimboetes te matigen.10 Voor de volledigheid merk ik nog op dat het voorgaande evenzeer geldt voor de betaalverzuimboete bij aanslagbelastingen (art. 63b lid 1 Inv.) en enkele bijzondere verzuimboetes11. Ook daar is de grondslagkoppeling (louter) beleidsmatig uitgewerkt.12