Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.13.5
2.13.5 Voorafgaand vertrouwelijk informeren
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook toenmalig Minister van Financiën Bos: Kamerstukken II 2008/09, 31 371, nr. 36, p. 1.
Kamerstukken II 2014/15, 21 501-07, nr. 1241. Dit informatieprotocol is van toepassing op interventies bij niet-bancaire financiële instellingen. Door de komst van de Europese Bankenunie (paragraaf 4.2.7.4) is het toezicht op en crisismanagement met betrekking tot banken verplaatst naar het centrale Europees niveau. Dit betekent dat zowel het toezicht op als de afwikkeling van het overgrote deel van de Nederlandse bankensector naar Europees niveau verschuift.
Zie ook de aanbeveling van de commissie De Wit, Kamerstukken II 2011/12, 31 980, nr. 61, p. 507-508. De commissie De Wit doet de suggestie om een speciaal verantwoordingsmemorandum door het kabinet naar de Kamer te laten sturen bij een schending van het budgetrecht. Van te voren zou duidelijk moeten zijn waarover de minister in ieder geval verantwoording zou moeten afleggen en informatie over zou moeten verstrekken, zoals over de mogelijke risico’s, alternatieven die tijdens de onderhandelingen op tafel hebben gelegen en de kosten.
In het geval van een crisissituatie of andere gevallen waarin vertrouwelijke informatie een rol speelt is het vertrouwelijk informeren van de Tweede Kamer op zijn plaats, maar dan wel onder bepaalde voorwaarden. Het vertrouwelijk informeren van de Tweede Kamer betekent niet dat de Kamer daarmee ook de mogelijkheid krijgt om in te stemmen met de voorgenomen ingreep. Vertrouwelijk informeren kan enkel tot doel hebben om een kleine groep Kamerleden te informeren. Voorop staat dat het vertrouwelijk informeren een ultimum remedium is. Openbaarheid is de regel (artikel 66 Grondwet).1 Vertrouwelijk informeren dient daarom altijd gepaard te gaan met het afleggen van verantwoording achteraf, zowel voor de handeling als voor de wijze waarop de vertrouwelijke informatievoorziening heeft plaatsgevonden.
Deze uitgangspunten zijn neergelegd in een informatieprotocol over de vertrouwelijke informatieverstrekking aan de Kamer bij financiële instellingen naar aanleiding van de aanbeveling van de commissie De Wit.2 In het informatieprotocol is neergelegd dat de minister achteraf verslag doet van de wijze waarop de Tweede Kamer vertrouwelijk is geïnformeerd en over de inhoud van de tijdens het vertrouwelijk overleg gegeven informatie. Verder benadrukt het kabinet dat bij vertrouwelijke overleggen open moet kunnen worden gesproken over de interventiemaatregel – die op dat moment nog niet definitief vorm heeft gekregen. Ook moet er gelegenheid zijn voor de deelnemers aan het overleg – in principe de financiële woordvoerders van de fracties en als deze verhinderd zijn de fractievoorzitters – om (technische) vragen te stellen.
In het geval dat voorafgaande informatievoorziening in uitzonderlijke situaties helemaal niet mogelijk zou zijn, ook niet vertrouwelijk, dan zal in ieder geval achteraf verantwoording dienen te worden afgelegd en de Tweede Kamer achteraf voorzien dienen te worden van de nodige informatie.3