Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.6.2.3
2.2.6.2.3 Derde fase: Wet-Mackay 1889
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977048:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 17 augustus 1878, Stb. 1878, nr. 127 (art. 45, 54bis), Feikema 1929, p. 22, Bornewasser 1995, p. 15.
Kamerstukken II 1877/78, Bijblad, p. 943, 960; Feikema 1929, p. 115.
Ibid., p. 967.
Ibid., p. 001.
Feikema 1929, p. 1.
N.M. Feringa, Gedenkboek betreffende het Volkspetionnement, Amsterdam: J. Kruyt 1878; vgl. Diepenhorst 1927, p. 341-345, J. Snel, De zeven levens van Abraham Kuyper. Portret van een ongrijpbaar staatsman, Amsterdam: Prometheus 2020, p. 11-212, Oosterlee 1929, p. 257-261, Oud 1971, p. 116-117 en W. de Jong 2017, p. 21-23.
Idenburg 1964, p. 105, T. Crijnen, ’Abraham Kuyper vertrouwde de katholieken nooit’, Trouw 17 november 2020, p. 22 en Snel 2020.
De Jong 2017, p. 23 en Oosterlee 1929, p. 242.
Vgl. H. Krabbendam, ‘De grote emancipator. Een nieuwe biografie over Herman Schaepman, Impressie, Tijdschr. voor kath. erfgoed, 2021, 29, p. 14-17 (Schaepman was initiator van schoolstrijd en nonpossumuspolitiek).
Feikema 1929, p. 20, Idenburg 1964, p. 114, De Rooy 2002, p. 113 e.v. en J.W. Sap, ’De openbare school is ziek, in: Van der Ploeg e.a. (red.) 2000, p. 95.
Boekholt 2000, p. 32.
Feikema 1929, p. 39.
Ibid., p. 106.
J.T. Buys, Studiën over Staatkunde en Staatsrecht, Arnhem: GoudaQuint 1895, p. 298.
Vgl. F. Koksma, Het karakter van het Openbaar LO, Utrecht: Van de Weijer 1888 en P.L. van Eck, De openbare lagere school en de bijbel in de 19 eeuw, Groningen: Wolters 1938.
Feikema 1929, p. 166.
Wetten van 6 november 1887, Stb. 1887, nrs. 183-193; KB van 30 november 1887, Stb. 1887, nr. 212 (Afkondiging).
Census- of cijnskiesrecht bezaten welgestelde burgers met kiesrecht. De Anti-Revolutionairen wijzen het censuskiesrecht af. Met de Grondwetswijziging 1887 kregen alle mannen met een maatschappelijke welstand kiesrecht; vgl. Burkens 1969, p. 3-4, 17, noot 3.
Handelingen II 1885/86, p. 1193, Brinkel 1990, p. 130-131.
Idenburg 1964, p. 115.
Handelingen I 1886/87, p. 459-461.
Wet van 8 december 1889, Stb. 1889, nr. 175; Oud 1971, p. 150, A. Postma, ´De onderwijskwestie en de wet-Mackay van 8 december 1889´, in: Th. Brinkel e.a. (red.), 1990, p. 129-131, 158, 165.
Brinkel 1990, p. 165.
Vgl. S. Blaupot ten Cate & A. Moens, De wet op het LO, Groningen: Wolters 1890.
Wet van 8 december 1889, Stb.1889, 175; vgl. Idenburg 1964, p. 48-49, Mentink 1989, p. 55-56.
Wetten van 29 november 1917, Stb. 1917, nr. 660-662; Idenburg 1964, p. 116.
G. Leertouwer, ‘Het hek op de dam. De particuliere zaak en de publieke taak in de polder’, in: Laemers (red.) 2017, p. 74.
Langedijk 1935, p. 170, Oud 1971, p. 150-151.
Brinkel 1990, p. 167, J. de Frankrijker, De katholieke onderwijzersopleiding. Organisatie en ideologie 1899-1984, (diss. RUL), Meppel: Krips 1988 en Van Essen 2006, p. 76-85.
Wet van 24 juni 1901, Stb. 1901, nr. 187; vgl. Kalsbeek e.a. 1894.
Wet van 22 mei 1905, Stb. 1905, nr. 141 (gymn.); Wet van 14 juni 1909, Stb. 1909, nr. 173 (m.o.).
Geen overheidssubsidie
De wet-Kappeyne van de Coppello (1878) bevat een kostenstijgende verbetering van het openbaar lager onderwijs die ook voor het bijzonder lager onderwijs geldt, maar dan zonder overheidssubsidie.1 Bij de behandeling van het wetsontwerp verwijt de R.K. afgevaardigde Van Nispen tot Sevenaer de minister staatsburgers te willen opleiden ‘in een of andere tijdelijk bovendrijvende richting, en het kweeken van staatsburgers zonder dan met godsdienst’.2 Saaymans Vader (A.R.) acht de verloochening van het christendom op school zeer bedenkelijk, daar het kind opgroeit tot staatsburger.3 Des Amorie van der Hoeven (R.K.) noemt het ongelovig volk ‘een horde van monsters’.4 Historicus Feikema noemt de behandeling van de wet ‘een hoofdstuk van groote beteekenis […], vanwege de verbeteringen in het volksonderwijs die niet overbodig waren’.5
Volkspetionnement 1878 (Vóór of tegen het christendom)
Dat het wetsontwerp-Kappeyne van de Coppello niet onomstreden is, blijkt in 1878 uit het massaal getekende Volkspetitionnement6, georganiseerd door de ‘klokkenist der kleine luyden’ Kuyper op basis van zijn antithese: ‘Vóór of tegen het christendom?’7 Zij-aan-zij staan zijn ’kleine luyden’, georganiseerd in het in 1872 opgerichte Anti-Schoolwet-Verbond als voorloper van de AntiRevolutionaire Partij8, en Schaepmans ‘Roomsen’9 - 164.000 gezinshoofden in getal – als het gewone volk tegenover de liberalen.10 Beide groeperingen weten elkaar – pour le besoin de la cause – in breed protest te vinden.11 Het mag allemaal niet baten. Koning Willem III sanctioneert de wet.12 Feikema gaat ervan uit dat deze ‘ongetwijfeld aan de openbare school een strenger neutraal karakter heeft gegeven’.13 ‘Maar de absolute neutraliteit, vooral in het zuiden des lands, is niet overal doorgedrongen’.14
Liberalen-Confessionelen
De patstelling tussen de liberalen en de confessionelen is met de wet-Kappeyne van de Coppello niet overwonnen: de openbare school is in het huldigen van de christelijke zedeleer zonder dogmatische geloofsgrondslag de geschikte school voor de liberalen, waar deze door de confessionelen beslist als ongeschikt van de hand is gewezen.15 Voor de liberalen staat het ijveren voor de confessionele school gelijk aan het streven naar een kerkelijke alleenheerschappij.16 Voor de grondwetsherziening van 188717 is de confessionele medewerking absolute noodzaak voor: (a) de verkrijging van rijkssubsidie voor het bijzonder lager onderwijs ingevolge artikel 194 Grondwet van 1848 en (b) de regeling van het algemeen kiesrecht in plaats van het census- of cijnskiesrecht.18
Non possumus
De confessionelen werken niet mee (‘non possumus’) aan het invoeren van het algemeen kiesrecht, zolang niet aan hun eisen voor de rijkssubsidie voor het bijzonder lager onderwijs ‘op de een of andere wijze is voldaan’.19 Dat protest is niet tegen liberale dovemansoren gericht: een deel gaat om en de rijkssubsidie voor de bijzondere scholen komt er, niet op basis van een recht, maar als een gunst of billijkheid.20 Heemskerk verdedigt de subsidie in de Eerste Kamer op basis van de Grondwet van 1848: ‘En weldra zal misschien de wetgever over zulk een subsidie te beslissen hebben en dan ben ik van mening, dat juist omdat de Grondwet het niet zegt […] artikel 194 subsidie niet verbiedt’.21
Rijkssubsidie
Met de komst van de wet van 1889 wordt op voorstel van het christelijke (A.R. en R.K.) coalitiekabinet-Mackay, vóór alles een schoolwetministerie22, de LO-wet van 1878 van Kappeyne van de Coppello fundamenteel gewijzigd. De wet-Mackay is een breuk in de vaderlandse onderwijspolitiek.23 Het gevolg is dat de rijkssubsidie voor het bijzonder lager onderwijs, gegeven vanuit een privaatrechtelijke rechtspersoon, mogelijk wordt.24 Dat betekent een rijksbijdrage in de salariskosten van de leerkrachten – met een stapsgewijze subsidieverhoging – en het vervallen van de gemeentesubsidie.25 Met deze toekenning erkent de regering de noodzaak van een zekere gelijkberechtiging van het bijzonder en openbaar lager onderwijs. Idenburg ziet de LO-wet van 1889 met de bevochten rijksbijdrageregeling voor de verplichte leerkrachten als ‘een uiterst gewichtige stap’ naar de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder lager onderwijs in de Grondwet van 1917.26
Rijksbijdrage (30%) voor verplichte leerkrachten en (25%) stichtingskosten
Met de LO-wet-Mackay van 1889 zijn de wezenlijke elementen van het huidige artikel 23 Grondwet in de kern aanwezig. Historicus Leertouwer concludeert dan ook dat sindsdien de school als institutie het onderwijsdebat domineert.27 Het gevolg van de Wet-Mackay is - naast het vervallen van de gemeentesubsidie voor het bijzonder lager onderwijs - het omzetten van deze regeling in een rijksbijdrage voor de verplichte leerkrachten en een kwart van de stichtingskosten van een openbare school. De bijzondere school krijgt voor een derde van de rijksgenormeerde (salaris)kosten subsidie.28 Ook is een rijksbijdrage mogelijk voor de gemeentelijke en bijzondere kweekscholen en normaallessen. Er komt rijkssubsidie voor het lager onderwijs en opleidingsscholen, ook voor gemeentelijke instellingen.29
LO-wet van 1901: rijksbijdrage in gebouwelijke kosten
In de LO-wet van 1901 is een rijksbijdrage in de gebouwelijke kosten van het bijzonder lager onderwijs vastgelegd30, voor het bijzonder gymnasium bij wet van 1905 en voor de bijzondere hbs bij die van 1909.31 De gymnasia dienen evenals de vijfjarige hbs’en hiervoor rijkserkend te zijn. Er dienen bevoegde docenten en een verplicht leerplan te zijn om een diploma met civiel effect af te kunnen geven.