Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.6.2.1
2.2.6.2.1 Eerste fase: admissierecht voor stichting van een lagere school
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977035:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet op het Lager Onderwijs,1801, UB 1801, Langedijk 1935, p. 11, Lenders 1988, p. 21-29, 37, Dodde 1971 en Kloek & Mijnhardt 2001.
Staatsregeling van 1798, artikel 92; Aanspraak van J.H. van der Palm, Agent van Nationale Opvoeding, in: I. van Hoorn, De Nederlandsche schoolwetgeving voor het Lager Onderwijs 1796-1907, p. 99 en C. Wilkeshuis, Meester, welbedankt! De school van 1900 tot nu, Leiden: Sijthoff 1968, p. 52.
Wet op het lager schoolwezen en onderwijs, UB 1806, Meylink 1857, Douma 1922, p. 137 en S. den Dekker-Van Bijsterveld, ’Het juiste onderscheid’, School en Wet 1988, 1, p. 11-15.
Douma 1922, p. 131.
Bijvoegsel tot het Staatsblad II 1815, p. 125 en Staatscourant 1815, p. 204.
Idenburg 1964, p. 83, 150.
Vermeulen 1999, p. 13-14 en Stilma 1987.
Zie voor biografie: Houkes 2009; Langedijk 1947, p. 24 e.v.
Ibid., p. 86 en G. Zijlstra, ’Grenzeloos naoberschap, 91ste jaarcongres van de Vereniging Groen van Prinsterer' CDA Bestuursforum 2017, 2, p. 6-7.
Decreet van de Nationale Vergadering van 5 augustus 1796 (‘Er kan, of zal geen bevoorrechte noch heersende Kerk meer (…) geduld worden’)’, Fritschy & Toebes 1998.
Voor de Joodse scholen is in veel steden een uitzondering gemaakt door deze te subsidiëren als bijzondere scholen der eerste klasse, onder voorwaarde van invoering van het algemene curriculum met godsdienst en als voertaal Nederlands in plaats van Jiddisch. Deze subsidie blijft bestaan tot de inwerkingtreding van de LO-wet 1857, Stb. 1857, nr. 103. Zo zijn twee typen openbaar onderwijs te onderscheiden: de algemeen christelijke en de Joodse school.
Vgl. W.M. Keuchenius, De Inkomsten en Uitgaven der Bataafsche republiek, voorgesteld in een Nationaale Balans, Amsterdam: Holtrop 1803.
Zie: Visser 1810 en Oosterlee 1929, p. 75-86.
Idenburg 1964, p. 31.
Admissierecht stichting lagere school
Het begin van de negentiende eeuw kenmerkt zich door het vormgeven en reguleren van een systeem van nationaal onderwijs. In de LO-wet van 1801 heeft de school tot doel de leerlingen op te voeden tot redelijke burgers door de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens.1 Er is een Reglement van orden vastgelegd. Het bevat bepalingen over de boeken en schoolbehoeften. De LO-wet van 1801 regelt daarnaast de exameneisen voor de akte van bekwaamheid als onderwijzer (artikel 16 LO-wet). Dat is ‘geen overbodige luxe’, volgens de Agent van Nationale Opvoeding J.H. van der Palm (een voorloper van de Minister van Onderwijs) in zijn Aanspraak bij de opening van de vergadering van schoolopzieners in juli 1801: ‘Want Hercules zal den stroom leiden om deze stallen van Augias te zuiveren, en de besmette lucht haar verpestenden adem te ontnemen. De bezem moet er door’.2
De LO-wet van 1806 (met als aanhangsel het Reglement voor het Lager Schoolwezen en Onderwijs, inclusief de Algemeene en bijzondere Schoolorden) definieert het openbaar onderwijs in stichtingstermen als ‘alle onderwijs waaraan een publieke of kerkelijke kas bijdraagt’.3 De Algemene Lijst van te gebruiken boeken - conform voorschrift in het Reglement - verschijnt in 1810, gevolgd in 1815 ‘in een meest spaarzame uitgave’.4 De Grondwet van 1815 luidt in artikel 226, eerste alinea: Het openbaar onderwijs is een aanhoudend voorwerp van de zorg der Regeering.5 Idenburg ziet de LO-wet van 1806 als ‘een voorbeeld van legislatieve arbeid’ in de manier, waarop deze wet gestalte geeft aan een voor ‘alle Standen van de Maatschappij’ in het leven geroepen eenheidsschool die ‘het geestelijk fundament van de natie vestigt en versterkt’.6 Een natie in wording met staatsburgers, voor wie de school openstaat met gebed, christelijk lied en bijbel voor de opleiding tot ‘alle Maatschappelijke en Christelijke deugden’.7 Artikel 12 bevat de vergunningseis voor de oprichting, om de controle van de overheid op het onderwijs zeker te stellen.
Antithese Groen van Prinsterer
De school is voor haar admissie overigens niet gebonden aan de eis van leerstellig onderricht. Wel is ze godsdienstig, ‘zonder den eisch van den Bijbel’. Dat is voor diverse gelovigen de liberale tijdgeest, tegenover de geest van Gods Woord. Réveilaanhanger en confessionalist Groen van Prinsterer (1801-1876)8 beschouwt dit als een tegenstelling (antithese) van Revolutie en Evangelie.9
Scheiding van kerk en staat
De scheiding van kerk en staat is sinds 1796 een feit.10 Godsdienstles is alleen buiten de schooluren toegestaan. De kerk blijft echter indirect bij het volksonderwijs betrokken, doordat vooral predikanten als schoolopziener of toezichthouder optreden. Het bijzonder lager onderwijs wordt door niet-gesubsidieerde instellingen of personen (eerste klasse)11 dan wel particuliere school- of kostgelden (tweede klasse) in stand gehouden (artikel 3 jo 24 LO-wet).12
Verplichte boekenlijst op lagere scholen: burgerschapsvorming
De overheid strekt inmiddels haar bemoeienis ook uit over de curricula en selecteert de leermiddelen op de lagere scholen. Zo is in 1810 voor het openbare lager onderwijs een algemene boekenlijst vastgesteld met een verplichte keuze door de school.13 Het bijzonder lager onderwijs van de eerste klasse kan met kennisgeving van de keuzen aan het schooltoezicht volstaan, terwijl die der tweede klasse (met ‘de Kinderen van Behoeftigen’, artikel 29) buiten de lijst met toestemming boeken kunnen gebruiken (artikel 24).14
De Schoolwet van 1806
De scheiding van kerk en staat is niet absoluut. Zo is in de Schoolwet-Van den Ende van 1806 geregeld dat de bijzondere scholen alleen zijn op te richten met toestemming van de overheid en geen leerstellig (doctrinair), maar een verlicht-neutraal Christelijk onderwijs aanbieden. In de loop van de tijd is dit niet langer acceptabel voor de rechtzinnige calvinisten en Rooms-Katholieken.