Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/7.2
7.2 De verhouding tussen de rechtsprekende macht en de andere staatsmachten in het positieve recht
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS492046:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook hfdst. 4 van dit boek, waarnaar ik tevens verwijs voor een uitgebreide(re) beschouwing over bijna alle grondwetsbepalingen die in deze paragraaf worden genoemd.
Van der Pot 2006, p. 596. Zie ook hfdst. 1.
Bij machtenscheiding ging het in eerste instantie vooral om de scheiding van functies; later is daarbij de idee gekomen dat deze functies ook bij verschillende (groepen van) personen zouden moeten worden belegd. Zie S. Zouridis, De dynamiek van bestuur en recht. Over de rechtsstaat als bestuurswetenschappelijk fenomeen, Den Haag: Uitgeverij Lemma 2009, p. 265.
Bovend’Eert 2004, p. 253.
De Nederlandse Grondwet legt het beginsel van de machtenscheiding, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Duitse Grondwet (art. 20 GG), niet uitdrukkelijk vast. Toch neemt het daarin wel een belangrijke plaats in. De Grondwet onderscheidt duidelijk de functies wetgeving, bestuur (hoofdstuk 5) en rechtspraak (hoofdstuk 6) en de organen Staten-Generaal (hoofdstuk 3), regering (hoofdstuk 2) en rechterlijke macht (hoofdstuk 6). De functies zijn alleen niet altijd zuiver gescheiden aan afzonderlijke organen opgedragen. Formele wetgeving is bijvoorbeeld een gezamenlijk product van de regering en de Staten-Generaal (art. 81 Gw).
Hoofdstuk 6 van de Grondwet ziet zowel op de functie rechtspraak (het beslissen van geschillen en de berechting van strafbare feiten) als op het orgaan dat die functie uitoefent (de rechterlijke macht en niet daartoe behorende gerechten).1 Dat is begrijpelijk omdat rechters en rechtspraak zo nauw met elkaar verweven zijn, dat het ene begrip moeilijk te definiëren is zonder te verwijzen naar het andere.2 In deze paragraaf beschrijf ik welke positie de rechtsprekende macht inneemt ten opzichte van de andere staatsmachten op grond van positief recht. Daarbij maak ik onderscheid tussen functionele machtenscheiding, organisatorische machtenscheiding en personele machtenscheiding.3 De machtenscheiding is op geen enkel vlak absoluut. De constitutie voorziet in gedeelde bevoegdheden en andere vormen van controle tussen de staatsmachten.4 Dergelijke vormen van ‘checks and balances’ bestaan, ondanks het vereiste van rechterlijke onafhankelijkheid, ook ten aanzien van de rechtsprekende macht. Met name de wetgever heeft tot slot ook beslissende bevoegdheden waar het de inrichting van de rechterlijke organisatie betreft.
7.2.1 Functionele machtenscheiding7.2.2 Organisatorische machtenscheiding7.2.3 Personele machtenscheiding