Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.5.4.0
7.5.4.0 Introductie
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431780:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. R. Fentiman, `English Domicile and the Staying of Actions', CLJ 2005, p. 305: `But it is cause for unease that such an important decision should be intellectually so unsatisfying, its consequences so uncertain, and potentially unsustainable.'
E. Peel, 'Forum non conveniens and European ideals', LMCLQ 2005, p. 365: 'Even by the standards of the European Court, its ruling in Owusu is thinly reasoned on the issue which was of central importance.
T.C. Hartley, 'The European Union and the Systematic Dismantling of the Common Law of Conflict of Laws', ICLQ 2005, p. 826; H. Duintjer Tebbens, 'From Jamaica with Pain. Enkele aantekeningen bij het arrest van 1 maart 2005 van het Hof van Justitie in de zaak Owusu', in: P. van der Grinten & T. Heukels (eds.), Crossing Borders (Van der Velden-bundel), Deventer: Kluwer 2006, p. 103.
Bijv. op grond van comity-overwegingen, zie Viking Line v. The International Transport Workers' Federation [2005] EWHC 1222 (Comm).
Anders bijv. A. Briggs, 'Forum non conveniens and ideal Europeans', LMCLQ 2005, p. 378-382. Deze auteur stelt zich op het standpunt dat voor het forum non conveniens-leerstuk nog een rol is weggelegd, indien sprake is van een exclusieve bevoegdheid van gerechten in een niet-lidstaat (forumkeuze, onroerend goed, etc) of dezelfde dan wel een samenhangende zaak op een eerder tijdstip bij het gerecht in een niet-lidstaat aanhangig is gemaakt.
Zie bijv. CNA Insurance v. Office Depot International [2005] Lloyd's Rep. I.R. 658; Viking Line v. The International Transport Workers' Federation [2005] EWHC 1222 (Comm).
Zie recentelijk nog eens HvJ EG 13 juli 2006, C-4/03, RvdW 2006, 760, GAT/LKB, r.o. 28 en HvJ EG 13 juli 2006, C-539/03, RvdW 2006, 759, Roche/Primus, r.o. 37.
HvJ EG 19 februari 2002, C-256/00, Jur. 2002 p. 1-1699, NJ 2004, 159 (PV), B esix/FVABAG & Plafog.
In zijn conclusie voor Owusu, onder nr. 260-261, wijst A-G Léger er nog op dat het vaste rechtspraak van het HvJ EG is dat de toepassing van nationaal procesrecht geen afbreuk mag doen aan het nuttig effect van het EEX-Verdrag. Toepassing van forum non conveniens, zo dit al als een regel van nationaal procesrecht kan worden beschouwd, leidt tot inperking van het EEX-Verdrag.
Overigens kan men zich afvragen of het argument van de rechtsbescherming ook geldt voor de eiser die buiten de Europese Unie woonachtig is. Beogen het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening immers niet slechts bescherming te bieden aan degenen die zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden? Zie nader A. Peel, LMCLQ 2005, p. 374-375; Schlosser (2003), p. 51.
J. Harris, ICLQ 2005, p. 937-938; T.C. Hartley, ICLQ 2005, p. 827; G. Cuniberti, ICLQ 2005, p. 977; A. Briggs, LQR 2005, p. 538; E. Peel, LMCLQ 2005, p. 370; C. Hare, J.B.L. 2006, p. 168.
Mogelijk kan dit zelfs worden afgeleid uit r.o. 38 van het arrest Owusu: 'De eerbiediging van het rechtszekerheidbeginsel (...) zou niet volledig gewaarborgd zijn indien een uit hoofde van dit verdrag bevoegde rechter de forum non conveniens-exceptie mocht toepassen.' [curs., Fl]
J. Harris, ICLQ 2005, p. 948-949; F. Ibili, NILR 2006, p. 135-136; C. Hare, J.B.L. 2006, p. 158.
HvJ EG 27 april 2004, C-159/02, Jur. 2004, p. 1-3565.
Hoewel de prejudiciële beslissing van het HvJ EG in Owusu onder het EEX-Verdrag is gewezen, behoudt deze zonder meer haar waarde voor de EEX-Verordening. Het arrest heeft veel pennen in beweging gebracht. In het algemeen is het positief ontvangen, maar ook zijn kritische beschouwingen in vooral de Engelse literatuur te vinden.1 Zo zou het Hof zich niet goed hebben laten informeren over de werking van het forum non conveniens-leerstuk in het Engelse procesrecht. Voorts zou de motivering van de beslissing te wensen overlaten.2 En zelfs is er (voorzichtig) getwijfeld aan de integriteit van het Hof wegens het ontbreken van rechters uit de common law in de kamer die het arrest heeft gewezen.3 De boodschap van Owusu is duidelijk: is de rechtsmacht van de rechter gebaseerd op het EEX-Verdrag (of de EEX-Verordening), dan is hij verplicht om deze rechtsmacht ook uit te oefenen, met uitzondering van de in de EEX-Verdrag (of de EEX-Verordening) zelf genoemde gevallen. Hij heeft geen discretionaire bevoegdheid om op grond van forum non conveniens-overwegingen of anderszins4 af te zien van uitoefening van rechtsmacht ten gunste van een buitenlands gerecht in een andere lidstaat of niet-lidstaat, hoe geschikt dit alternatief forum uit oogpunt van rechtsbedeling ook mag zijn. Irrelevant is het aantal verdragsstaten (of lidstaten) waarmee de zaak verbonden is, zolang maar aan het vereiste van internationaliteit is voldaan. Daarmee is het doek voor het forum non conveniens-leerstuk in EEX-verband gevallen.5 Inmiddels heeft het arrest Owusu zijn weg naar de Engelse rechtspraak gevonden.6
De argumenten die het Hof gebruikt tegen de toepassing van forum non conveniens in EEX-verband, te weten het dwingend karakter van art. 2 EEX-Verdrag, aantasting van de rechtszekerheid, de rechtsbescherming en de uniforme toepassing van het verdrag, zijn overtuigend. Het belangrijkste argument is dat van de rechtszekerheid. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het beginsel van rechtszekerheid een van de hoekstenen is van het EEX-Verdrag.7 Zie ook de considerans, overweging 11, van de EEX-Verordening: 'De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn (...)'. Onzekerheid met betrekking tot de rechtsmacht moet zoveel mogelijk vermeden worden, zowel voor de eiser als de verweerder. Het beginsel van rechtszekerheid heeft er eerder toe geleid dat bijvoorbeeld art. 5 sub 1 EEX-Verdrag buiten toepassing blijft wanneer de plaatsen van uitvoering van de litigieuze verbintenis talrijk zijn.8 Thans zet dit beginsel het forum non conveniens-leerstuk buiten de deur van het EEX-Verdrag.9 Op één punt is de argumentatie van het Hof naar mijn mening minder overtuigend. In r.o. 42 brengt het Hof tot uiting dat met het gebruik van forum non conveniens de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen zou worden aangetast. De verweerder zou redelijkerwijs niet kunnen voorzien voor welke andere gerechten dan die van zijn woonplaats hij opgeroepen kan worden.10 Het Hof gaat er echter aan voorbij dat het forum non conveniens naar Engels recht een exceptie is waarop de verweerder zelf een beroep doet. Het is dus de verweerder zelf die afstand doet van zijn recht om gedagvaard te worden voor de gerechten van zijn woonplaats.11 Voorts miskent het Hof mijns inziens dat bij een forum non conveniens-verweer voldoende duidelijk is voor welke andere gerechten de verweerder gedagvaard kan worden. Immers, een belangrijk onderdeel van het forum non conveniens-verweer is dat de verweerder bewijst dat er een alternatief bevoegd gerecht in een andere staat bestaat dat geschikter is om van de zaak kennis te nemen.
Gezien de feiten in Owusu beperkt het arrest zich tot verwerping van het forum non conveniens-leerstuk in een geval waarin de rechtsmacht is gebaseerd op de woonplaats van de verweerder (art. 2 EEX-Verdrag). Het Hof laat zich niet, althans niet uitdrukkelijk uit over andere bevoegdheidsgronden in het EEX-Verdrag. Het lijkt mij echter dat de argumenten die het Hof aanvoert tegen forum non conveniens gelijk opgaan voor de gevallen waarin de rechtsmacht is ontleend aan een andere bevoegdheidsgrond uit het EEX-Verdrag of de EEX-Verordening.12 De gerechten die bevoegd zijn krachtens art. 5-7 (alternatieve fora), art. 22 (exclusieve fora) of art. 23-24 (uitdrukkelijke en stilzwijgende forumkeuze) EEX-Vo zullen zich evenmin forum non conveniens mogen verklaren. Dit geldt tevens voor de gerechten waarvan de bevoegdheid gebaseerd is op art. 8-14 (verzekeringsovereenkomsten),13art. 15-17 (consumentenovereenkomsten) of art. 18-21 (arbeidsovereenkomsten) EEX-Vo. Volgt rechtsmacht daarentegen uit het Engelse commune recht, dan blijft het forum non conveniens-leerstuk ook na Owusu toepasbaar. De zaak valt dan buiten het materiële en/of formele toepassingsgebied van de EEX-Verordening.14 Te denken valt aan een geval waarin rechtsmacht is gebaseerd op de betekening van het geding inleidend stuk aan een Nigeriaanse verweerder die zich fysiek in het Verenigd Koninkrijk bevindt (lag jurisdiction'). Of het geval waarin de verweerder wel woonplaats heeft in het Verenigd Koninkrijk, maar het geschil een kwestie betreft die buiten het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening valt.
Overigens kan de onverenigbaarheid van het Engelse forum non conveniensleerstuk met het EEX-Verdrag resp. de EEX-Verordening gezien worden in het licht van de meeromvattende fricties tussen het Engelse interne procesrecht en het Europese IPR-procesrecht. Het EEX-Verdrag is oorspronkelijk tot stand gebracht tussen zes landen met een continentaal rechtsstelsel. Met de inwerkingtreding van het EEXVerdrag voor het Verenigd Koninkrijk zijn belangrijke wijzigingen in het Engelse procesrecht aangebracht. Zo mag de lag jurisdiction' niet meer worden toegepast ten aanzien van verweerders die hun woonplaats op het grondgebied van een verdragsstaat hebben. Evenmin mogen Engelse gerechten zich langer forum non conveniens verklaren ten gunste van de gerechten in andere verdragsstaten. In de rechtspraak heeft het HvJ EG verder een halt toegeroepen aan de toepassing van andere Engelse procesrechtelijke instrumenten. De zaak Owusu is niet de eerste keer waarin dat gebeurt. Zo is, om maar een ander voorbeeld te noemen, het typisch Engelse rechtsinstrument van de `anti-suit injunction' in het arrest Turner/Grovit buiten spel gezet.15