Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/4.3
4.3 Verdeling als causa voor levering
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS343145:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10 respectievelijk HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Novatie of schuldvernieuwing is wel toegestaan, maar in dat geval wordt niet de oorspronkelijke causa nagekomen, maar de nadere causa.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Annotator Kleijn merkt op in zijn noot onder HR 4 maart 1987, NJ 1989, 224 onder 1: ‘In het NBW daarentegen, is de verdeling ook slechts titel voor eigendomsverkrijging, waarop nog levering moet volgen krachtens art. 30701014a NBW (...)’. Kleijn vervolgt onder 3, met betrekking tot de toevoeging van de tweede zin aan wat hij noemt ‘de definitie van boedelscheiding’: ‘De bedoeling daarvan was aan te sluiten bij bovengenoemd arrest [HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126, THS] en dat van 31 mei 1963, NJ 1964, 10. Door deze toevoeging is er in art. 30701011 sprake van twee begrippen verdeling. In de eerste zin van dit artikel omvat verdeling twee fasen, te weten zowel ‘de obligatoire overeenkomst tot verdeling (titel)’ als de zakenrechtelijke uitvoering daarvan.’ Vergelijk Meijer 1986, p. 24, die in haar oratie verdedigt ‘voor het komende recht’ uit te gaan van een verdelingsbegrip dat bestaat uit twee fasen: de obligatoire fase (’overeenkomst tot toedeling’) en de zakelijke fase (’toedeling’).
Vergelijk L.v.Antw. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1299. Door de minister wordt aangetekend dat ook in artikel 3.7.1.11, het huidige art. 3:182 BW, de term verdeling wordt gebezigd in de zin van de vaststelling van wat aan ieder van de deelgenoten toekomt, “krachtens” welke vaststelling de verdeelde goederen worden geleverd en aldus verkregen. De minister bevestigt desgevraagd dat met verdeling niet bedoeld is levering.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618.
Vergelijk art. 3.7.1.14 lid 4 OM en art. 3:186 lid 2 BW.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618: ‘Het enige punt [cursivering door mij, THS], waarop in het stelsel van het ontwerp de werking van een verdeling aan een declaratieve kracht doet denken, is dat een scheiding geen verandering in de titel, krachtens welke men houdt, brengt.’ Meijers zag de verdeling in zijn Ontwerp als ‘overdracht’, zie art. 3.7.1.14 lid 3 OM, welke duiding vanwege het direct hierboven gestelde werd gewijzigd naar ‘overgang’, zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 620.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 614.
Voor de opvatting waarbij de verdeling zowel omvat de overeenkomst (die) tot verdeling (verplicht) als de overeenkomst van verdeling (of termen van gelijke strekking), zie onder meer: Hartkamp & Snijders 1983, p. 149, noot 14; Klaassen/Luijten & Meijer 2008, nr. 891; Burgerhart 2008, p. 218 en noot 321; Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 167 e.v. In lijn met de constatering dat verdeling een titel voor levering oplevert, zie onder meer: Tuil 2009, nr. 278; Van Mourik 2012, p. 43; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 450; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 222; Van Mourik & Schols 2015, nr. 36. Met betrekking tot de rechtspraak van de Hoge Raad wordt wel verdedigd dat de Raad, gelet op de door hem gebezigde terminologie, een opvatting over verdeling heeft gelijk aan de opvatting in de eerstbedoelde zin. Zo verwijst Perrick (Perrick 2010, p. 434) in zijn reactie op de opvatting van Tuil (Tuil 2009, nr. 278) naar HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1697, NJ 1996, 499 m.nt. W.M. Kleijn [r.o. 3.3, THS]. Zie ook HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1871, NJ 2015, 481, m.nt. L.C.A. Verstappen, r.o. 4.2.3, waarin wordt verwezen naar HR 7 april 1995, voormeld. Zie echter HR 27 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1856, NJ 1998, 191, m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.4: ‘Het [middel, THS] gaat terecht ervan uit dat, zoals ook naar voren komt uit de Lijst van vragen Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (vierde gedeelte) (wijziging van Boek 3) en de daarop gegeven antwoorden (Parl. Gesch. Boek 3 (inv. 3, 5 en 6), blz. 1299), voor verkrijging door een deelgenoot van een hem bij de verdeling van de gemeenschap toegedeeld goed een op de verdeling volgende levering van dat goed vereist is.’ Zie ook recenter HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017, 437, m.nt. L.C.A. Verstappen, r.o. 3.4.2 waarbij de Raad een terminologie lijkt te bezigen die aansluit bij de opvatting in de laatstbedoelde zin. Het is mij niet duidelijk in hoeverre de door de Hoge Raad gebruikte terminologie teruggaat op een principiële opvatting hieromtrent. Voor het parket bij de Hoge Raad vergelijk: concl. A-G De Vries Lentsch-Kostense, ECLI:NL:PHR:2006:AV8719, vóór HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8719, onder 10; concl. A-G Rank-Berenschot, ECLI:NL:PHR:2013:BY4279, vóór HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, onder 4.10; concl. A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2015:405, vóór HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1290, noot 18; concl. A-G Keus, ECLI:NL:PHR:2015:589, vóór HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1871, onder 2.4. In de laatstbedoelde conclusies verwijzen de genoemde Advocaten-generaal allen voor hetgeen onder verdeling moet worden verstaan naar L.v.Antw. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1299, alwaar door de minister wordt betoogd dat de begrippen verdeling en levering van elkaar dienen te worden onderscheiden.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618: ‘Nu aan de deling geen declaratieve maar een zuiver obligatoire werking wordt toegekend (...).’ Zie ook Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 168, met dien verstande dat Perrick de hier bedoelde overeenkomst duidt als de overeenkomst tot verdeling en de uitvoering van de overeenkomst tot verdeling als toedeling. Zie anders Van Mourik 2012, nr. 6.2. Uit TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618 en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 619-620 volgt tevens dat op de verdeling in beginsel de bepalingen omtrent wederkerige overeenkomsten toepasselijk zijn. Zie ook Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 172. Zie anders Van Mourik 2012, nr. 6.2. Het hier vermelde uitgangspunt laat onverlet dat de wijze waarop in het huidige BW de rechtshandeling van verdeling is vormgegeven vragen oproept. Enerzijds wordt verdeling gepresenteerd als een obligatoire overeenkomst, die in de privaatrechtelijke behandeling met een koop kan worden vergeleken, anderzijds wordt de verdeling niet op de gebruikelijke wijze in het privaatrechtelijke stelsel ingepast. Dit laatste moge alleen al blijken uit het gegeven dat voor de rechtsgeldige totstandkoming van de verdeling vereist is dat alle deelgenoten daaraan meewerken en wel – als hoofdregel – op straffe van nietigheid (art. 3:195 lid 1 BW). Het rechtsgeldig tot stand brengen van de verdeling wordt daarmee afhankelijk gemaakt van het gerechtigd zijn tot – lees: beschikkingsbevoegd zijn over – de goederen van de gemeenschap. Het stellen van een dergelijke voorwaarde geeft de indruk dat de Franse vlag op dit onderdeel van het privaatrecht nog niet geheel gestreken is. Voor de overeenkomst van koop ligt dit naar huidig recht anders. Voor de rechtsgeldige totstandkoming van de koop wordt niet als eis gesteld dat de koper over het verkochte beschikkingsbevoegd is. De eis van beschikkingsbevoegdheid komt daar aan de orde in het kader van de overdracht van het verkochte goed (art. 3:84 BW).
Met de causa voor levering doel ik op de titel voor levering met dien verstande dat daaronder in het kader van verdeling begrepen moet worden de rechtsgrond voor en rechtvaardiging van de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde.
Vergelijk art. 1125 lid 2 OBW over de inhoud van het begrip ‘toescheiding’: ‘Vervolgens wordt (…) bij toescheiding aangewezen, welke goederen in ieders aandeel vallen (…).
Zie L.v.Vr. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1299. De hierboven door mij verdedigde visie op het begrip ‘toedeling’ wijkt ten opzichte van de in hedendaagse monografieën gebruikte terminologie met name af van die van Perrick. Perrick gaat er bij zijn analyse van het wettelijke verdelingsbegrip vanuit dat in de regel geldt ‘verdelen is toedelen’. Hierbij wordt de toedeling beschouwd als de uitvoering van de overeenkomst tot verdeling (Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 172). In mijn opvatting geldt eveneens ‘verdelen is toedelen’, maar ik beschouw de verdeling als de vaststelling van hetgeen aan de deelgenoten toekomt en onderscheid de verdeling/toedeling van de daarop volgende leveringshandeling ter verkrijging van ‘het aan ieder der deelgenoten toegedeelde’ in de zin van art. 3:186 lid 1 BW. Deze laatste opvatting is in lijn met de in de hoofdtekst bedoelde opvatting van de minister (t.a.p.).
Voor een goed verstaan van het verdelingsbegrip vragen verschillende aspecten de aandacht. In deze paragraaf zal ik ingaan op het begrip ‘verdeling’ in relatie tot het begrip ‘levering’. De afbakening van deze begrippen is van belang nu in art. 3:182 BW ‘verdeling’ centraal staat, terwijl in art. 3:186 BW wordt gesproken over ‘het toegedeelde’ en ‘levering’.
De eerste volzin van art. 3:182 BW merkt als verdeling aan iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De eerste volzin stelt daarmee een materieel criterium vast. Indien aan de daar vermelde vereisten van medewerking en rechtsgevolg wordt voldaan, wordt een rechtshandeling als verdeling aangemerkt.
De tweede volzin heeft ten doel te duiden welke handeling geen verdeling is en vormt daarmee een uitzondering op de eerste volzin. Aangenomen kan worden dat de functionaliteit van de tweede volzin wordt bepaald door die handelingen, die zowel een rechtshandeling van verdeling volgens de eerste volzin, als een handeling strekkend tot nakoming als bedoeld in de tweede volzin zijn. Het is met name deze tweede volzin die in zijn beperkende werking vragen oproept ten aanzien van zijn toepasselijkheid. Wat kan hierover worden gezegd? Het oogmerk van de wetgever is kenbaar uit de toelichting op de wettekst. De wetgever stelt voorop dat de bepaling van de tweede zin beoogt aan te sluiten bij enkele arresten van de Hoge Raad,1 waarin aan de orde was de voldoening van een vordering uit een door de erflater met twee van zijn zeven erfgenamen gesloten koopovereenkomst respectievelijk een vordering uit legaat aan een erfgenaam.2 In beide arresten werd aangenomen dat nakoming in deze gevallen geen scheiding van de nalatenschap oplevert.3 Ter zake hiervan wordt in de toelichting opgemerkt:
‘Buiten twijfel is thans gesteld dat ook de tweede zin van artikel 3.7.1.11 uitsluitend zodanige gevallen buiten het verdelingsbegrip beoogt te houden.’4
De bewoordingen ‘buiten twijfel’, ‘uitsluitend zodanige gevallen’ en ‘beoogt’ suggereren een niet mis te verstane duidelijkheid omtrent hetgeen de wetgever voor ogen heeft. De uitwerking van hetgeen is beoogd blijkt echter niet met dezelfde duidelijkheid uit de redactie van de gewijzigde wettekst en de toelichting daarop. Waar de tweede volzin blijkens het gemelde oogmerk – kort gezegd – nakoming van een andere causa voor levering dan verdeling, via verdeling moet verhinderen,5 lijkt de toevoeging van de slotwoorden aan de tweede volzin ook gevolgen te hebben voor de inhoud van het verdelingsbegrip. Er gaat door de herformulering van de tweede zin niet enkel een beperkende werking uit ten opzichte van de tekst volgens het gewijzigd ontwerp, maar de herformulering lijkt tevens door de toevoeging van de slotwoorden een uitbreiding mee te brengen van hetgeen op grond van de eerste zin als verdeling kan worden aangemerkt. Uit de redactie van de tweede volzin kan immers worden afgeleid dat een handeling die dient ter uitvoering van een verdeling ook zelf een verdeling is.6 Dit kan echter alleen als de uitvoeringshandeling in de eerste plaats zou kunnen vallen onder het bepaalde in de eerste volzin. De toelichting bij de redactie van de tweede volzin volgens de eindtekst vermeldt:
‘De slotwoorden van de nieuwe redactie van de tweede zin zien op het geval van bij voorbeeld een verkoop door de gezamenlijke deelgenoten aan één hunner, een handeling die onder de eerste zin van artikel 3.7.1.11 [thans art. 3:182 BW, THS] valt. De tweede zin van artikel 11 omvat, zoals de slotwoorden verduidelijken, niet de nakoming van de verplichting tot levering uit deze koop[o]vereenkomst jegens de deelgenoot-koper. Ook hier is er derhalve een verdeling.’7
Kennelijk dient op basis van het eerste gedeelte van de tweede volzin – dus zonder het in aanmerking nemen van de slotwoorden – te worden aangenomen dat de leveringsverplichting strekt tot nakoming van de daar bedoelde schuld. Daarmee zou – hier ten aanzien van de levering – gelden ‘de handeling is niet een verdeling’, ware het niet dat de slotwoorden van de tweede volzin – nu wel in aanmerking genomen – voor deze laatste kwalificatie als voorwaarde stellen dat de in de tweede volzin bedoelde schuld ‘niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin’. Nu de in de tweede volzin bedoelde schuld rechtstreeks voortspruit uit een op grond van de eerste volzin als verdeling aan te merken koop, kan de kwalificatie ‘de handeling is niet een verdeling’ niet op de leveringshandeling van toepassing zijn. Daarmee is de uitkomst op basis van de eerste volzin van beslissende betekenis. Omdat uit het vorenbedoelde citaat kenbaar is dat de slotzin (’Ook hier is er derhalve een verdeling’) ziet op de nakoming van de verplichting tot levering uit koop, moet daaruit worden afgeleid dat zowel de koop als de levering – althans volgens dit onderdeel van de parlementaire geschiedenis – als verdeling kunnen worden aangemerkt. Aldus bieden zowel de wettekst als de toelichting op de tekst grond voor de aanname dat zowel de causa voor levering als de leveringshandeling zelf onder het verdelingsbegrip kunnen vallen.8 Dit heeft tot consequentie dat ook het denken over verdeling hierdoor wordt beïnvloed. Waar voor scheiding gold dat deze rechtsfiguur kon worden onderscheiden in een obligatoire en een zakenrechtelijke fase, zou dit ook voor verdeling het geval kunnen zijn, indien bovenstaande aanname juist is. In dat geval zou onder verdeling zowel de obligatoire overeenkomst als de goederenrechtelijke uitvoering daarvan kunnen worden begrepen, voor welke uitvoering het leveringsvereiste van art. 3:186 BW moet worden gevolgd.
Tegen de mogelijkheid om naast de causa voor levering ook de levering zelf onder het verdelingsbegrip te brengen, kunnen echter bedenkingen worden aangevoerd. Hoewel een leveringshandeling kan worden beschouwd als een handeling die strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld, kan een dergelijke handeling pas als verdeling worden aangemerkt indien deze kwalificeert als rechtshandeling van verdeling als bedoeld in de eerste volzin. Aan de tweede volzin komt immers in zoverre geen zelfstandige betekenis toe dat een handeling die op grond van de tweede volzin niet kwalificeert als een handeling die géén verdeling is, wel als verdeling kan worden geduid zonder daartoe als zodanig op grond van de eerste volzin te worden aangemerkt. Men kan het bepaalde in de eerste volzin met betrekking tot de als verdeling aan te merken rechtshandeling krachtens9 welke deelgenoten verkrijgen ook zo verstaan dat daartoe enkel kan worden gerekend de titel tot levering en niet de levering zelf. Ondanks de in de parlementaire toelichting op de eindtekst van de tweede volzin gebruikte casus kan ook voor laatstbedoelde opvatting in de parlementaire geschiedenis steun worden gevonden. Meijers maakt in de toelichting op zijn Ontwerp duidelijk dat niet alleen wordt gebroken met de zogenaamde declaratieve kracht van de scheiding, maar dat aan verdeling zuiver obligatoire werking wordt toegekend.10 Alleen de bepaling dat hetgeen een deelgenoot krachtens verdeling verkrijgt, door hem wordt gehouden onder dezelfde titel waaronder de deelgenoten dit tezamen voor de verdeling hielden,11 doet nog denken aan een declaratoir stelsel.12 Ook als het gaat om de wijze en de vorm waarop verdeling kan plaatsvinden, merkt Meijers op dat het artikel dat in zijn Ontwerp hierop betrekking heeft ‘overigens slechts betrekking [heeft] op de verdeling; voor de daarna komende levering vergelijke men artikel 3.7.1.14 lid 3 [vergelijkbaar met thans art. 3:186 lid 1 BW, THS]’, aldus Meijers.13 Leggen we de toelichting door Meijers naast hetgeen in de eindfase door de minister wordt opgemerkt, dan zien we daarin een bevestiging voor de opvatting dat verdeling de titel voor levering vormt en niet tevens de leveringshandeling zelf is. Met verdeling is niet bedoeld de levering en de leveringshandeling van artikel 3.7.1.14a (voorheen art. 3.7.1.14 lid 3 OM, thans art. 3:186 lid 1 BW) is een uitvoeringshandeling, die op de verdeling volgt en voor verkrijging van het toegedeelde goed noodzakelijk is.14
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het doorgronden van het verdelingsbegrip bemoeilijkt wordt door de gebrekkige wetstechniek en de ambivalentie waarmee binnen de totstandkomingsgeschiedenis van het verdelingsbegrip over verdeling is gesproken. In lijn daarmee is er tot op heden in de doctrine geen eenduidigheid van opvatting over de inhoud en reikwijdte van verdeling op dit punt.15 Het bovenstaande maakt ook dat bij het beoordelen van hetgeen in dezen juist of onjuist is terughoudendheid moet worden betracht. Aan het maken van keuzes kan echter niet worden ontkomen. Gelet op het bovenstaande en meer in het bijzonder op de samenhang tussen hetgeen Meijers vanaf de aanvang en de minister tegen het einde van de parlementaire behandeling omtrent verdeling hebben verklaard, zal ik in het vervolg van deze studie ervan uitgaan dat het ervoor moet worden gehouden dat verdeling een obligatoire overeenkomst is16 die de causa voor levering17 vormt en van de leveringshandeling moet worden onderscheiden. Verder ga ik ervan uit dat met verdeling is bedoeld het vaststellen van hetgeen aan ieder van de deelgenoten toekomt, na welke vaststelling over verdeelde goederen kan worden gesproken. Dat verdeelde goederen moeten worden onderscheiden van verkregen goederen blijkt zowel uit het gegeven dat de term ‘verdeling’ in de bewoordingen van de minister wordt gebezigd in de zin van vaststelling van hetgeen de deelgenoten toekomt, als uit de constatering dat de vastgestelde en daarmee verdeelde goederen worden verkregen na levering. Wanneer in dit verband verdeling en toedeling18 op een lijn worden gesteld, kan ook de door de minister onderschreven opvatting van voornoemde Commissie voor Justitie worden begrepen dat de levering een uitvoeringshandeling is die op de verdeling volgt en dat de op de verdeling volgende levering nodig is om een deelgenoot het aan hem toegedeelde goed te kunnen laten verkrijgen.19
Als de levering de uitvoeringshandeling is van verdeling en met verdeling niet bedoeld is levering, dan kan levering niet op grond van de eerste volzin als verdeling worden aangemerkt. Indien levering op grond van de eerste volzin niet als verdeling kan worden aangemerkt, kan het bepaalde in de tweede volzin noodzakelijk niet op de leveringshandeling zien. In dat kader kan ook de betekenis van de slotwoorden van de tweede volzin niet worden verklaard uit het feit dat een op verdeling volgende levering als nakomingshandeling zonder deze slotwoorden via toepassing van de tweede volzin als een ‘niet-verdeling’ wordt aangemerkt. Hiermee komt de betekenis te ontvallen aan de door de wettekst geopende mogelijkheid dit anders te zien en het door de parlementaire toelichting hieromtrent gestelde voor zover daaruit een andersluidende opvatting zou kunnen worden afgeleid.