Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.2
3.2 Eigendomsvoorbehoud en voorrang
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS393744:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verstijlen 1998, p. 20 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 741. Vgl. ook J.E. Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. Nieuw BW B13), Deventer: Kluwer 1992, p. 2 en p. 6.
Vriesendorp 2001, p. 9.
Verstijlen 2006, p. 1186.
Sagaert 2003, p. 148.
Vgl. Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 563 die opmerkt dat de verkoper in beginsel op grond van zijn absolute recht zegeviert ten opzichte van derden.
Zie bijv. Van Oven 1911, p. 14 en N.J. Polak, Mr. M. Polak’s Handboek voor het Nederlandse handels- en faillissementsrecht. Deel I. Derde gedeelte. Faillissement en surs É ance van betaling, Groningen: H.D. Tjeenk Willink 1972, p. 130. Zie ook Fikkers 1992, p. 69-72 en Bakels 1993, p. 60 e.v.
Vgl. ook de notitie van W. Snijders betreffende artikelen 3.4.2.3a en 3.4.2.5 naar aanleiding van recente literatuur d.d. 11 december 1981, p. 5, te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 724: ‘De zakelijke werking geeft hem [de verkoper; toevoeging EFV] ten opzichte van andere schuldeisers van de koper een bevoorrechte positie. Daarvoor moet er een goede reden bestaan.’
Het eigendomsvoorbehoud – of beter gezegd: de voorbehouden eigendom – verschaft de verkoper geen recht van voorrang in eigenlijke zin. Door middel van het eigendomsvoorbehoud verkrijgt de verkoper namelijk om meerdere redenen geen recht om zich met voorrang, dus vóór de overige schuldeisers van de koper, te verhalen op een vermogensbestanddeel van de koper. In de eerste plaats is geen sprake van een vermogensbestanddeel van de koper, omdat de zaak vanwege het eigendomsvoorbehoud juist nog niet tot het vermogen van de koper gaat behoren. Ten tweede verhaalt de verkoper zijn vordering tot betaling van de koopprijs niet op de verkochte zaak, aangezien de zaak altijd al aan de verkoper toebehoorde en ook na uitoefening van het eigendomsvoorbehoud aan de verkoper blijft toebehoren. In de derde plaats is geen sprake van verhaal, omdat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud niet tot gevolg heeft dat de vordering van de verkoper wordt voldaan. De uitoefening brengt de verkoper in de toestand van voor sluiting van de koopovereenkomst.
Aangezien geen sprake is van verhaal, komt de vraag wie bij verhaal voorrang heeft derhalve in het geheel niet aan de orde. Van voorrang kan namelijk slechts sprake zijn indien meerdere schuldeisers concurrerende aanspraken geldend wensen te maken ten aanzien van een bepaald vermogensbestanddeel van de schuldenaar en een van deze schuldeisers zich vervolgens vóór de andere schuldeisers op het vermogensbestanddeel mag verhalen. Voorrang komt met andere woorden pas aan de orde indien sprake is van een concursus, dus wanneer verschillende schuldeisers zich tegelijkertijd op hetzelfde goed wensen te verhalen.1 In geval van concursus is de gelijkheid van de verschillende schuldeisers het uitgangspunt (art. 3:277 BW), waarop een uitzondering wordt gemaakt indien aan een bepaalde vordering voorrang is verbonden (art. 3:278 BW).
Bij het uitoefenen van een eigendomsvoorbehoud is van een zodanige situatie geen sprake. De verkoper die een eigendomsvoorbehoud bedingt, voorkomt namelijk dat de zaak tot het vermogen van de koper gaat behoren en voorkomt daarmee eveneens dat van een concursus sprake kan zijn. Daardoor voorkomt de verkoper dat de overige schuldeisers van de verkoper verhaal kunnen nemen op de verkochte zaak.2 Het eigendomsvoorbehoud verschaft de verkoper derhalve geen recht van voorrang in een concursus, maar het beding voorkomt veeleer dat van een concursus sprake kan zijn. Het eigendomsvoorbehoud is daarmee geen voorrangsrecht in eigenlijke zin.3 Volgens Sagaert is het zelfs zinloos en tegenstrijdig om bij een eigendomsrecht van een recht van voorrang te spreken, omdat geen sprake is van een recht van voorrang met betrekking tot de opbrengst: de verkoper kan de zaak simpelweg onttrekken aan de concursus.4
Ook daarmee verschaft de verkoper zich echter een zekere voorrangspositie. Doordat de verkoper kan voorkomen dat de zaak onderdeel wordt van het vermogen van de koper, voorkomt hij dat hij hoeft te concurreren met de overige schuldeisers van de koper en voorkomt hij dat hij de gelijkheid van schuldeisers tegen zich moet laten gelden.5 Zo bezien is de mogelijkheid om de zaak buiten de concursus te houden ook een vorm van voorrang. Men zou kunnen spreken van voorrang in ruime of oneigenlijke zin. Wanneer in het vervolg van dit hoofdstuk de voorrangspositie van de verkoper wordt behandeld, dient bedacht te worden dat daarbij wordt uitgegaan van deze ruime definitie van het begrip voorrang.
Ook in deze ruime definitie laat zich de vraag stellen waarom de verkoper de mogelijkheid heeft om de verkochte zaak buiten de concursus te houden, waardoor wordt voorkomen dat andere schuldeisers verhaal kunnen nemen op deze zaak. In paragraaf 2.7 van hoofdstuk 2 is gebleken dat het eigendomsvoorbehoud in nauw verband staat met de ontbindingsregeling en dat het eigendomsvoorbehoud qua rechtsgevolgen een zekere gelijkenis vertoont met de goederenrechtelijke werking en de terugwerkende kracht van de ontbinding onder het oude recht. Tegen deze goederenrechtelijke werking van de ontbinding (en soms ook tegen de vergelijkbare werking van het recht van reclame en het eigendomsvoorbehoud) werd in de literatuur soms als bezwaar aangevoerd dat hiermee een inbreuk op de paritas creditorum werd gemaakt.6 Ook Hartkamp en Sieburgh brengen de afschaffing van de goederenrechtelijke werking van de ontbinding in verband met de gelijkheid van schuldeisers:
‘Dat de zakelijke werking van de ontbinding is vervallen, is toe te juichen. De verkoper die zich tegen insolventie wil beveiligen, kan een eigendomsvoorbehoud bedingen; is geen kredietverlening, doch betaling kort na de aflevering beoogd, dan biedt art. 7:39 BW voldoende bescherming (…). Het aanvaarden van zakelijke werking buiten deze gevallen is (nog afgezien van het geval dat de ontbinding plaatsvindt op grond van wanprestatie van de verkoper) een niet goed te rechtvaardigen bevoordeling van de verkoper (c.q. diens schuldeisers) boven de overige schuldeisers van de koper.’7
Opvallend is dat het eigendomsvoorbehoud hier impliciet wordt genoemd als een geval waarin de bevoordeling van de verkoper kennelijk wÉl gerechtvaardigd is ten opzichte van de overige schuldeisers van de koper. Het is de vraag waarin deze rechtvaardiging is gelegen, die in dit hoofdstuk centraal staat.8
Voorafgaand daaraan wordt ingegaan op de vraag waardoor de voorrang van een zekerheidsgerechtigde gerechtvaardigd wordt, omdat die vraag verwantschap vertoont met de hier centraal staande vraag en de inzichten uit die discussie behulpzaam kunnen zijn bij de beantwoording van deze vraag. Ondanks het feit dat het eigendomsvoorbehoud de verkoper geen zekerheidsrecht verschaft, verschaft het beding de verkoper namelijk wel een voorrangspositie in de hiervoor gedefinieerde ruime zin van het begrip voorrang.