Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.2.3:8.2.3 De huidige voorwaarden
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.2.3
8.2.3 De huidige voorwaarden
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS397548:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 13 lid 2 Wet VPB 1969. In EU verband kan onder voorwaarden een bezit van minimaal 5% van de stemrechten ook voldoende zijn voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling (art. 13 lid 3 Wet VPB 1969).
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 20 januari 2017, nr. BLKB2016/803M, Stcrt. 2017, 5003, V-N 2017/16.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De deelnemingsvrijstelling is neergelegd in art. 13 Wet VPB 1969. De hoofdregel is dat bij het bepalen van de winst van een moedermaatschappij alle voordelen uit hoofde van een deelneming in een kwalificerende dochtermaatschappij worden vrijgesteld. De deelnemingsvrijstelling is een imperatieve regeling, dat wil zeggen dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is als aan de voorwaarden wordt voldaan. Vanaf 2007 worden voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling geen strengere eisen meer gesteld aan de buitenlandse deelneming. Voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling geldt sindsdien een drietal voorwaarden. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het moment:
dat er sprake is van een belang van ten minste 5% in het nominale gestorte aandelenkapitaal,1
geen sprake is van een deelneming die als voorraad wordt gehouden en
geen sprake is van een niet-kwalificerende beleggingsdeelneming. Er is sprake van een kwalificerende beleggingsdeelneming op het moment dat voldaan wordt aan (i) de oogmerktoets, (ii) de bezittingentoets, of (iii) de onderworpenheidstoets.
Volledigheidshalve wijs ik ook op het voor de praktijk belangrijke besluit van 20 januari 20172, waarin diverse standpunten van de staatssecretaris zijn uitgewerkt.
8.2.3.1 Kwalificerende moeder-dochterverhouding en 5%-eis8.2.3.2 Non-voorraadeis8.2.3.3 Kwalificerende beleggingsdeelneming8.2.3.4 Niet kwalificerende beleggingsdeelneming; deelnemingsverrekening8.2.3.5 CFC- wetgeving in Nederland?