Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief
Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.2.3:8.3.2.3 Het Bierbrouwerij-arrest
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.2.3
8.3.2.3 Het Bierbrouwerij-arrest
Documentgegevens:
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS414678:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 januari 1929, NJ 1929/616 en HR 21 juni 1929, NJ 1929/1096.
Voor een overzicht van met name lagere rechtspraak, zie: Losecaat Vermeer 1928, p. 11; Van Nierop 1928, p 13; Jarolímek 1956, p. 16.
Hof Leeuwarden 18 januari 1928, NJ 1928/299 (Heineken/Haan q.q.).
Rb Leeuwarden 4 November 1926, NJ 1927/307 (Heineken/Haan q.q.).
Hof Leeuwarden 18 januari 1928, NJ 1928/299 (Heineken/Haan q.q.).
Zie ook: de noot van P. Scholten bij dit arrest.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het jaar na het verschijnen van de preadviezen van de NJV, in 1929, wees de Hoge Raad twee arresten waarin hij de geldigheid van een zekerheidsoverdracht met levering constituto possessorio moest beoordelen.1 Veel lagere rechters hadden eerder geoordeeld dat de overeenkomst die ten grondslag lag aan de zekerheidsoverdracht in werkelijkheid een pandovereenkomst was en dat deze nietig was nu de macht over de verpande zaken niet was verschaft.2 De feiten van het eerste arrest van de Hoge Raad waren als volgt.
In 1924 had bierbrouwerij Heineken 6000 gulden geleend aan de Sneekse café-eigenaar Pieter Bos. Tot zekerheid van terugbetaling vestigde Bos een vierderangs hypotheekrecht op zijn bedrijfspand ten behoeve van Heineken. Daarnaast droeg Bos ‘nader omschreven inventarisgoederen’ aan Heineken in eigendom over voor een koopprijs van 2000 gulden.3 Partijen kwamen overeen dat Heineken de zaken in bruikleen (terug)gaf aan Bos en dat Bos de koopprijs niet zou opeisen van Heineken. Indien de vordering van Heineken op Bos zou zijn voldaan, was Bos verplicht om de inventarisgoederen terug te kopen voor 2000 gulden. De koopprijzen zouden in dat geval tegen elkaar weggestreept kunnen worden. Indien Bos in verzuim zou komen ten aanzien van de verzekerde vordering of failliet zou gaan, zou Heineken de inventarisgoederen als eigenaar mogen verkopen.
Bos ging failliet, Heineken zegde de bruikleen op en verzocht de curator afgifte van de inventarisgoederen. De curator weigerde echter afgifte en stelde zich onder meer op het standpunt dat de koopovereenkomst een schijnovereenkomst was en de overdracht ‘geene geoorloofde oorzaak had.’ De Rechtbank Leeuwarden oordeelde dat de overeenkomst een beoogde pandovereenkomst was.4 Zij was nietig wegens het ontbreken van machtsverschaffing.
Het Hof Leeuwarden oordeelde echter dat het OBW weliswaar een regeling van het pandrecht kende, maar dat ‘noch daardoor, noch door eenige andere wetsbepaling verboden wordt door eene andere overeenkomst hetzelfde doel na te streven.’ Bovendien kwam deze wijze van zekerheidsverstrekking tegemoet ‘aan de eischen van het verkeer en dat speciaal bedrijven als die van de bij de overeenkomst opgetreden partijen dergelijke credietverleeningen met als waarborg den inventaris van den koffiehuishouder, waarbij deze dan de feitelijke macht daarover moet behouden, niet kunnen ontberen.’5 De curator ging in cassatie.
A-G Berger meende dat artikel 1198 lid 2 een zekerheidsoverdracht niet verhinderde. Hij was er zich weliswaar van bewust dat het vereiste van machtsverschaffing in het artikellid tot doel had om een valse schijn van kredietwaardigheid te voorkomen, maar hij vond dit niet van zodanig gewicht dat moest worden geoordeeld ‘om een gevolg in strijd met de ratio van bedoeld voorschrift, ook buiten de pandovereenkomst om, strijdig te achten met de goede zeden of de openbare orde, noch om dat voorschrift toe te passen buiten het geval van verpanding, waarvoor het geschreven is.’
De Hoge Raad bood de duidelijkheid die de praktijk van de wetgever had gevraagd6 en oordeelde dat de zekerheidsoverdracht niet rechtstreeks in strijd was met de wettelijke voorschriften van het pandrecht. Hij beschouwde met andere woorden de zekerheidsoverdracht niet als een ongeoorloofde wetsontduiking. Het college overwoog ‘dat hier immers niet op onzedelijke wijze doeleinden worden verijdeld, die de wet nastreeft en aan de werking der wet wordt onttrokken een toestand, dien zij niet gewild heeft; dat toch uit de voorschriften omtrent pandrecht geenszins noodzakelijkerwijs als ’s wetgevers wil is af te leiden, dat in het algemeen de overige schuldeischers van eenen geldopnemer in die mate moeten beschermd worden tegen den bedrieglijken schijn, dat als zekerheid van schulden enkel zou kunnen strekken roerend goed, dat niet bij den schuldenaar zelven wordt aangetroffen.’