Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/11.3.2.1:11.3.2.1 Het vertrouwensbeginsel
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/11.3.2.1
11.3.2.1 Het vertrouwensbeginsel
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS414431:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zoals hiervóór in paragraaf 11.2 is vermeld, is in artikel 104 Grondwet bepaald dat belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel spelen twee uitgangspunten een rol. Aan de ene kant moet recht worden gedaan aan het beginsel dat de belastingschuld voortvloeit uit de wet (legaliteitsbeginsel)1. Aan de andere kant dient rekening te worden gehouden met het beginsel dat door toedoen van de belastingadministratie vertrouwen bij de belastingplichtige is gewekt dat bescherming verdient. Dit vertrouwen kan worden gewekt door diverse gedragingen van de belastingadministratie.
Happé (blz. 112) spreekt over een spectrum, waarbij het ene uiteinde wordt gevormd door de gepubliceerde beleidsregels van de staatssecretaris van Financiën en het andere uiteinde door een nalaten van de inspecteur dat als een instemming kan worden opgevat met een bepaalde zienswijze van de belastingplichtige.
Uit HR 12 april 1978, BNB 1978/135, 136 en 137, volgt dat onder omstandigheden strikte toepassing van de (belasting)wet in die mate in strijd kan komen met een of meer beginselen van behoorlijk bestuur, dat die strikte wetstoepassing achterwege dient te blijven. Onder welke omstandigheden dit zich voordoet, zal van geval tot geval moeten worden bekeken door afweging van het beginsel dat de wet moet worden toegepast tegen één of meer in aanmerking komende beginselen van behoorlijk bestuur. Eén van de beginselen van behoorlijk bestuur is dat de belastingadministratie verwachtingen, welke zij bij een belanghebbende ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft opgewekt en waarop deze zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen, honoreert. Aan dit beginsel moet bij een afweging als hiervóór vermeld, doorslaggevende betekenis worden toegekend, indien een belastingplichtige zodanig vertrouwen heeft mogen ontlenen aan uitlatingen. In dat geval moet de aanslag overeenkomstig dat gewekte vertrouwen worden vastgesteld.
Door de belastingadministratie gewekt vertrouwen kan worden beëindigd. Happé (blz. 151) betoogt in dit kader:
Algemeen is erkend dat de fiscus bevoegd is zijn beleid te wijzigen. Verandering van inzicht kan hem hiertoe brengen, bijvoorbeeld in die zin dat een andere uitleg van de wettelijke bepalingen de voorkeur verdient. Ook verandering van omstandigheden kan de aanleiding vormen voor een wijziging van beleid. Zonder die bevoegdheid zou uiteraard elke flexibiliteit aan het overheidsoptreden ontnomen worden en zouden vele bestuursorganen de neiging om beleid te formuleren en te publiceren aanzienlijk minder sterk voelen. Een en ander neemt natuurlijk niet weg dat als de ene beleidsregel vervangen wordt door de andere, er door de oude regel vertrouwen is gewekt. Transacties zijn er door beïnvloed, investeringen en uitgaven zijn gedaan, aftrekposten zijn in aangiften opgenomen. Het vertrouwensbeginsel vereist dat met dit ‘oude’ vertrouwen wordt rekening gehouden.
Een vergelijkbaar standpunt wordt ingenomen door A-G Wattel in zijn conclusie voor HR 14 juni 2000, V-N 2000/28.3:
3.7. De (belasting)administratie is weliswaar bevoegd een ingenomen standpunt te herroepen, zeker een rechtens onjuist standpunt, dus om gewekt vertrouwen te beëindigen, maar niet ontijdig, dat wil zeggen in beginsel niet met terugwerkende kracht (voor het verleden), en zelfs niet voor de toekomst indien de belanghebbende erop mocht vertrouwen dat het om een duurtoezegging ging dan wel de belanghebbende in vertrouwen op de toezegging contracten heeft gesloten met derden waar hij niet zonder nadeel onderuit kan.
Hoewel het de belastingadministratie derhalve in beginsel is toegestaan gewekt vertrouwen te beëindigen, mag zulks niet met terugwerkende kracht geschieden. Aan de hand van HR 3 februari 1993, BNB 1993/133, kan worden geïllustreerd wanneer het vertrouwen met terugwerkende kracht teniet wordt gedaan. Het ging in die zaak om de passivering van een VUT-aanspraak. In 1984 had belanghebbende, een BV, haar directeur/enig-aandeelhouder een aanspraak op een zogenoemde VUT-regeling toegekend. Belanghebbende heeft de waarde van die VUT-verplichting ten laste van haar resultaat over 1984 gebracht. In de procedure met betrekking tot de aanslag vennootschapsbelasting 1984 kwam vast te staan, dat belanghebbende de VUT-aanspraak aan haar directeur/aandeelhouder heeft toegekend, niet ter zake van de door deze voor haar verrichte arbeid, doch uit hoofde van zijn aandeelhouderschap. Voor een passivering ten laste van de winst was in 1984 in zoverre geen plaats. Echter, in de procedure kwam voorts vast te staan dat belanghebbende aan uitlatingen van de inspecteur het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat deze akkoord zou gaan met de passivering van de VUT-aanspraak. Voor 1984 moet derhalve worden toegestaan – hoewel de wet daartoe niet de ruimte biedt – dat in de eindbalans van belanghebbende een passiefpost ter zake van de VUT-aanspraak wordt opgenomen. Indien deze onjuiste passivering – die ertoe heeft geleid dat het eindvermogen van 1984 (het laatstvastgestelde jaar) onjuist is berekend – in 1985 (het oudste nog openstaande jaar) door toepassing van de foutenleer wordt hersteld, wordt het vertrouwen met terugwerkende kracht beëindigd. In dat geval is immers in wezen een situatie ontstaan die gelijk is aan het geval, waarin geen toezegging bestond tot de vorming van de passiefpost.