Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.3.2
6.3.2 Toerekening in strijd met wettelijke bevoegdheidsverdeling
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685457:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
A-G Wattel heeft het onder 3.20 van zijn conclusie, ECLI:NL:RVS:2019:896, over het onderscheid tussen de Executieve en de Legislatieve. Zie bijv. ABRvS 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2227, rov. 5-5.5.
ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1175, AB 2021/244. Zie ook ABRvS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1639 (Proscopius/Zaltbmmel). Groot & Damen 2019 zijn onder 4.1 kritisch over de bij de burger veronderstelde kennis over de wettelijke bevoegdheidsverdeling.
ABRvS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1639, JB 2020/154, rov. 4.4. In ABRvS 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2683 was namens het college van B&W een toezegging gedaan, welke niet kon worden toegerekend aan de raad, rov. 5.3: “Ook als een toezegging, andere uitlating of gedraging niet kan worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan, neemt dat niet weg dat er situaties kunnen zijn waarin deze handeling moet worden betrokken bij een belangenafweging.”
Zie bijv. ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1891. Zie over gebondenheid van het bestuur aan bevoegdhedenovereenkomsten Sluysmans & Van Triet 2019.
Zie hoofdstuk 9 en 10.
Bij de stap van toerekening van de uitlating aan het bevoegde orgaan kan zich een extra complicatie voordoen indien een eventuele toerekening de wettelijke bevoegdheidsverdeling doorkruist.1 Dit is in het bijzonder zo als het college van B&W (het bestuursorgaan waarmee, voor zover er directe communicatie is met een bestuursorgaan, gewoonlijk het contact plaatsvindt) zich uitlaat over een bevoegdheid van de gemeenteraad. In dat geval moet worden voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de ruimte van de democratisch gekozen gemeenteraad om een eigen belangenafweging te maken. Dit heeft tot gevolg dat handelingen van het college de gemeenteraad slechts kunnen binden als de gemeenteraad daarmee instemt.2
De Afdeling heeft wel eens overwogen dat in een dergelijk geval van een toezegging van het college van B&W, de gemeenteraad in zijn belangenafweging wel rekening moet houden met die toezegging van het college.3 Mijns inziens kan dan een vergelijking worden gemaakt met de jurisprudentie over bevoegdhedenovereenkomsten die zien op het vaststellen van bestemmingsplannen. Die overeenkomsten worden tot stand gebracht door (en meestal: uitonderhandeld namens) het college, terwijl de gemeenteraad het bevoegde orgaan is voor het vaststellen van bestemmingsplannen. De gemeenteraad hoeft bij het vaststellen van een bestemmingsplan weliswaar geen doorslaggevende waarde te hechten aan een bevoegdhedenovereenkomst van het college, maar moet die overeenkomst wel kenbaar meewegen in zijn belangenafweging.4
Dat uitlatingen van het ene bestuursorgaan niet kunnen worden toegerekend aan het andere bestuursorgaan lijkt mij op grond van de machtenscheiding en de duidelijk wettelijk geregelde bevoegdheidsverdeling goed te verdedigen. Wel zou – afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij ik denk aan de bewoordingen van de uitlatingen en de context waarin zij zijn gedaan – mogelijk op het uiteindelijk beslissingsbevoegde bestuursorgaan een motiveringsplicht kunnen liggen om in zich ieder geval rekenschap te geven van de door het andere bestuursorgaan gedane uitlatingen. Ook wijs ik op eventuele civiele overheidsaansprakelijkheid wegens het op het verkeerde been zetten van een burger over de (grenzen van de) wettelijke bevoegdheden.5