Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.5.2.5
6.5.2.5 Andere gevallen van daderschap en kwaliteit
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940632:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 6.5.2.1.
Zie voor een integraal overzicht Haas & Jansen 2019, par. 1.2 respectievelijk par. 1.3.
Zie art. 29 Wet LB. Ook buiten de sfeer van de loonbelasting kan dit voorkomen. Zo is de houder van de stortplaats de belastingplichtige voor de afvalstoffenbelasting. Bij asbestdaken is echter een verklaring van de asbestverwijderaar nodig. Als daar een fout in zit, kan de naheffingsaanslag aan die asbestverwijderaar worden opgelegd, zie de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 13 juni 2019, V-N 2019/31.15.
Zie voor deze verklaringen art. 13bis lid 7 tot en met lid 12 respectievelijk lid 13 tot en met lid 17 Wet LB.
Hiervoor zijn de daderschaps- en deelnemersvormen behandeld die aan het strafrecht zijn ontleend. Afgezien daarvan bestaan er in fiscalibus nog enkele gevallen waarin iemand die niet zelf de kwaliteit van belastingplichtige of inhoudingsplichtige heeft, toch beboet kan worden. Anders dan bij de strafrechtelijke daderschaps- en deelnemersvormen het geval is, wordt de boeteling in die gevallen (wel) rechtstreeks, dus als pleger, aangesproken.
Eerder heb ik al de algemeen geldende verzuimboetes van art. 67ca AWR en art. 63b lid 2 Inv. genoemd, die zijn gericht tot ‘degene’ die een bepaalde administratieve verplichting niet nakomt.1 Dat kan dus ook een ander dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige (of belastingschuldige) zijn,2 bijvoorbeeld de werknemer die zich tegenover zijn werkgever niet identificeert.3 Ook kan hierbij worden gedacht aan de wettelijke vertegenwoordiger, curator of bewindvoerder die desgevorderd de fiscale verplichtingen van de belastingplichtige moeten nakomen (art. 43 AWR). Het is mogelijk dat aan deze personen op eigen titel – in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger, curator of bewindvoerder – een boete wordt opgelegd als zij daarbij fouten maken.4
Verder kan op grond van art. 20 lid 2, tweede volzin AWR een naheffingsaanslag worden opgelegd aan een ander dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige als er te weinig belasting is geheven ten gevolge van het niet naleven van de belastingwet door die ander. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een werknemer die verkeerde informatie aan zijn werkgever verstrekt, waardoor deze ten onrechte te weinig loonbelasting inhoudt op zijn loon.5 In zulke gevallen kan niet alleen de naheffingsaanslag loonbelasting aan die werknemer worden opgelegd, maar kan die werknemer ook op eigen titel worden beboet. Dit is geregeld door de betaalverzuimboete van art. 67c AWR en de betaalvergrijpboete van art. 67f AWR van overeenkomstige toepassing te verklaren.6
Voorts kan de werknemer op eigen titel worden beboet in verband met zijn ‘verklaring geen privégebruik’ of zijn ‘verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’.7 De werknemer die een dergelijke verklaring heeft, maar die verklaring in strijd met de daarvoor geldende voorwaarden niet, te laat, of niet op de voorgeschreven wijze intrekt of laat intrekken, begaat op grond van art. 10a AWR juncto art. 8 respectievelijk art. 9 UBLB een beboetbaar feit.
Ten slotte merk ik nog op, dat ook bij de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes soms een andere hoedanigheid dan belastingplichtige of inhoudingsplichtige voorkomt. Als voorbeeld noem ik de houder in art. 13 Wet BZM, de administratieplichtige in art. 75 SW en art. 11 WIB, de rapporterende financiële instelling in art. 11 WIB en degene in art. 102a Wet op de accijns.8