Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/5.2.2.2
5.2.2.2 Inbreuk op recht als onrechtmatigheidsgrond
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284516:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Het subjectieve recht is niet nauwkeurig gedefinieerd in de wet of jurisprudentie. Het is dus een begrip met enige rafelrandjes. In de kern is het echter wel duidelijk dat het gaat om direct door de wet toegekende rechten die dienen tot de behartiging van diens belangen. Zie daarover Meijers 1948, p. 86, Sieburgh 2000, p. 60-61, Jansen 2019a, aant. 4.1.3.1 en bijv. Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 46.
Dit begrip wordt in het algemeen onderverdeeld in rechten op goederen (eigendom, beperkte rechten, IE-rechten) en persoonlijke vermogensrechten (huurrecht, pachtrecht). In het algemeen neemt men aan dat vorderingsrechten op naam hier niet onder vallen, omdat dit rechten zijn die slechts jegens de schuldenaar geldend gemaakt kunnen worden. Zie hierover Sieburgh 2000, voetnoot 46 die deze categorie helemaal uitsluit vs. Biemans 2009, p. 473 e.v. die meent dat deze categorie wel onder het rechtsbegrip valt. Weifelend: Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 46.
Hierbij kan men denken aan algemene rechten als lichamelijke integriteit, vrijheid van handelen, eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer. Meer algemeen zou men kunnen denken aan de klassieke grondrechten. Zie hierover HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5500, NJ 1987/928, m.nt. E.A. Alkema (Edamse bijstandsvrouw), HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609, NJ 2003/589, m.nt. J.B.M. Vranken (K./Aegon) en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942, NJ 2015/20, m.nt. M.M. Mendel en H.B. Krans (Achmea/Rijnberg).
Zie Kortmann 2006, p. 33 en 126-127 die een dergelijk systeem, als ik het goed begrijp, voorstelt om met name de onrechtmatigheid van onbevoegde besluiten in het kader van vergunningstelsels te verklaren en Kortmann 2015, p. 152, waarin hij deze constructie ook denkbaar acht voor gevallen van onrechtmatige vergunningverlening. Vgl. ook Scheltema & Scheltema 2013, §6.2.2.2.
231. Sommige auteurs verdedigen dat de onrechtmatigheid bij ongeldige begunstigende besluiten schuilt in een (ongerechtvaardigde) inbreuk op een subjectief recht in de zin van art. 6:162 lid 2 BW. Onder dat begrip vallen ruwweg1 absolute rechten2 en persoonlijkheidsrechten.3 Het aan het vergunningstelsel gekoppelde algemeen wettelijk verbod maakt inbreuk op het subjectieve recht van de burger. Die inbreuk is gerechtvaardigd, en daarmee op de voet van art. 6:162 lid 2 BW rechtmatig, totdat de overheid verplicht is daarvan een vrijstelling te verlenen door middel van een vergunning. Laat de overheid die vrijstelling ten onrechte na, dan is sprake van een ongerechtvaardigde rechtsinbreuk.4
Deze constructie overtuigt mij niet, omdat zij de onrechtmatigheid van het algemene verbod centraal stelt. Dat algemene verbod is echter, zolang dat verbod niet zélf onrechtmatig is, een voldoende wettelijke grondslag voor de beperking van het subjectieve recht. De benadering kan bovendien niet goed verklaren waarom het op onjuiste gronden honoreren van een vergunningsaanvraag onrechtmatig is. De door het algemene verbod gemaakte rechtsinbreuk is dan immers wel opgeheven, zij het op verkeerde gronden. Bij publiekrechtelijke subjectieve rechten werkt de constructie evenmin. Aan die rechten gaan immers geen algemeen verbod vooraf.