Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/8.5
8.5 Kandideringsbeleid: de SGP-problematiek
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947785:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voluit het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. Zie HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, r.o. 4.2.3.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, r.o. 4.5.4.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, r.o. 4.5.5.
Zoals Clara Wichmann c.s. blijkens hun eis wel hadden gedaan.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, r.o. 4.6.1.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, r.o. 4.6.2, onder verwijzing naar het Water-pakt-arrest (HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8462).
Beide uitgangspunten zijn moeilijk in één maatregel te verenigen, want hoe effectiever de maatregel, des te groter de inbreuk op de grondrechten van de SGP zal zijn. Zie daarover Schutgens & Sillen 2010, par. 3.
Dit gebeurde na een uitspraak van de burgerlijke rechter, waarin de staat werd bevolen art. 2 Wspp jegens de SGP buiten toepassing te laten: Rb. ’s-Gravenhage 7 september 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU2088. Het beroep dat de SGP tegen de weigering van de subsidie instelde, werd ongegrond verklaard: Rb. ’s-Gravenhage 30 november 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5393.
ABRvS 5 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9493, r.o. 2.13.1.
ABRvS 5 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9493, r.o. 2.14.2. Zie hierover ook Alkema 2010, par. 6a; Broeksteeg 2010, par. 9.
Vergelijk HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, r.o. 4.2.4, waarin de Staat en de SGP (als gevoegde partij) aanvoeren dat de stichting Clara Wichmann c.s. niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, omdat het algemeen belang van non-discriminatie waarvoor zij opkomen, niet samenvalt met het specifieke belang van de SGP-vrouwen, die deze actie helemaal niet wensen.
EHRM 10 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0710DEC005836910 (SGP/the Netherlands), par. 77.
EHRM 12 november 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:1112DEC005489318 (Zevnik and Others/Slovenia), par. 34.
EHRM 12 november 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:1112DEC005489318 (Zevnik and Others/Slovenia), par. 39.
Het gelijkheidsbeginsel speelt ook een rol bij het vaststellen van de kandidatenlijst. De complexe relatie tussen het kiesrecht en het gelijkheidsbeginsel in deze fase van het verkiezingsproces wordt treffend geïllustreerd door de op belangrijke punten van elkaar verschillende oordelen van de Hoge Raad en de ABRvS, in zaken die in essentie allebei draaiden om het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP. Dit standpunt, dat was neergelegd in het Program der Beginselen van de SGP, hield in dat vrouwen categorisch een plaats werd ontzegd op de kandidatenlijsten van de SGP. Het standpunt werd ingegeven door de religieuze opvattingen van de partij. Een aantal belangenorganisaties, waarvan de Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann de bekendste is, wendde zich tot de rechter om het standpunt aan te vechten. Clara Wichmann c.s. waren van mening dat de Nederlandse staat, door na te laten om tegen dit standpunt op te treden, in strijd handelde met een reeks grondwets- en verdragsbepalingen, die alle in enige vorm het kiesrecht en het discriminatieverbod waarborgen. Zij noemden in dat kader de artikelen 1 en 4 Gw, artikel 3 Protocol 1 EVRM jo. artikel 14 EVRM en 1 Protocol 12 EVRM, artikel 25 en 26 IVBPR en artikel 7 van het VN-Vrouwenverdrag.1 De Hoge Raad stelde Clara Wichmann c.s. in het gelijk. Over de relatie tussen het kiesrecht en het gelijkheidsbeginsel oordeelde de Hoge Raad: ‘Zowel artikel 4 Gw. als artikel 25 in verband met artikel 2 IVBPR en, wat betreft vrouwen, artikel 7 Vrouwenverdrag garanderen iedereen zonder onderscheid wegens geslacht het recht de leden van deze organen te verkiezen èn daarin verkozen te worden.’2 Ook oordeelde de Hoge Raad dat de SGP inbreuk maakte ‘op het door de Grondwet en de genoemde verdragen gewaarborgde grondrecht van vrouwen om op gelijke voet als mannen toegelaten te worden tot het passief kiesrecht’.3 Daarmee leest de Hoge Raad ook in artikel 4 Gw een toepassing van het gelijkheidsbeginsel, overigens zonder het artikel in samenhang met artikel 1 Gw te bezien.4 Deze opvatting ligt in lijn met de internationaalrechtelijke bepalingen omtrent kiesrecht, maar wordt zoals gezegd niet door de tekst of parlementaire geschiedenis van artikel 4 Gw ondersteund.
De Hoge Raad verplichtte de Nederlandse staat ertoe om maatregelen te nemen ‘die er daadwerkelijk toe leiden dat de SGP het passief kiesrecht aan vrouwen toekent’.5 Dat is een wat vreemde formulering, nu de Hoge Raad er daarmee van uitgaat dat het niet de staat, maar de SGP is die het kiesrecht aan burgers toekent. De Hoge Raad liet zich niet uit over de concrete inhoud van deze maatregelen, omdat de wetgever daarvoor een politieke afweging diende te maken.6 Wel oordeelde hij dat de gekozen maatregel effectief moest zijn en tegelijkertijd de minste inbreuk op de grondrechten van de SGP moest maken.7 Het was uiteindelijk de SGP zelf die de angel uit de discussie haalde door het ‘vrouwenstandpunt’ te wijzigen, naar aanleiding waarvan minister van BZK Plasterk aangaf dat de noodzaak tot het nemen van verdere maatregelen was komen te vervallen.8
De benadering van de Hoge Raad onderscheidt zich op belangrijke punten van die van de ABRvS. In dit geval was het de SGP zelf die naar de rechter stapte, nadat de minister van BZK, op grond van artikel 7 sub c VN-Vrouwenverdrag, had geweigerd om de partij ingevolge de destijds geldende Wet subsidiëring politieke partijen subsidie te verstrekken.9 De Afdeling oordeelde dat de SGP onterecht subsidie was ontzegd. Zij stelde dat uit artikel 7 VN-Vrouwenverdrag niet kan worden afgeleid dat de staat ervoor moet zorgen dat alle politieke partijen vrouwen op gelijke voet behandelen als mannen.10 In dat verband merkte zij op dat vrouwen ‘binnen het spectrum van politieke partijen als geheel genomen, lid kunnen worden van een politieke partij’, waarna zij concludeerde dat van een daadwerkelijke beperking van het kiesrecht van vrouwen geen sprake was. Ook stelde de Afdeling dat vrouwen die de overtuigingen van de SGP delen, maar bezwaar maken tegen het vrouwenstandpunt van de partij, op ieder moment zelf een partij kunnen oprichten.11 Tenslotte hebben deze vrouwen vrijwillig ingestemd met de beginselen en het partijprogramma van de SGP.12
De Afdeling interpreteert het gelijkheidsbeginsel dus aanzienlijk beperkter dan de Hoge Raad. De Afdeling oordeelt dat het beginsel slechts betrekking heeft op het toekennen van actief en passief kiesrecht als zodanig, terwijl de Hoge Raad ‘gelijkheid’ verder toespitst op het kandideringsbeleid van individuele politieke partijen. In deze laatste lezing is het gelijkheidsbeginsel niet alleen een onderdeel van het kiesrecht, maar vormt het beginsel ook een beperking op het kiesrecht en de verenigingsvrijheid. Bij het opstellen van de kandidatenlijst worden partijen door het gelijkheidsbeginsel immers in hun handelingsvrijheid beperkt. In de visie van de Afdeling krijgt de verenigingsvrijheid juist ruim baan. Iedere Nederlander boven de 18 kan een kandidatenlijst indienen, mits hij de in de Kieswet voorgeschreven procedure – het overleggen van ondersteuningsverklaringen, het betalen van een waarborgsom, enzovoorts – in acht neemt. Daarbij is van discriminatie geen sprake.
Het EHRM lijkt zich bij de visie van de Hoge Raad aan te sluiten. Het Hof verklaarde de SGP, die het oordeel van de Hoge Raad in Straatsburg wilde aanvechten, niet-ontvankelijk en merkte op dat het standpunt van de SGP in strijd was met artikel 3 Protocol 1 EVRM, gelezen in combinatie met artikel 14 EVRM.13 Dat het bewerkstelligen van evenwichtige participatie van mannen en vrouwen als legitiem doel wordt gezien om het kiesrecht te beperken, merkte het Hof expliciet op in een latere zaak tegen Slovenië, die draaide om de vraag of de Sloveense autoriteiten een kandidatenlijst ongeldig mochten verklaren nu daar onvoldoende vrouwen op stonden.14 De Sloveense Kieswet hanteerde in dat kader een quotum van 35%, dat door de betreffende lijst niet gehaald werd. Daarnaast was het (in plaats van bijvoorbeeld de mogelijkheid tot herstel te bieden) direct ongeldig verklaren van de lijst, onder andere gelet op de grote margin of appreciation in kiesrechtelijke aangelegenheden en het feit dat de betreffende lijst een dag voor het verstrijken van de kandidaatstellingstermijn werd ingediend, geen disproportionele maatregel, aldus het Hof.15