Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.3.4
5.8.9.3.4 Bevoegdheden die strekken tot het innen van de vordering of het verhalen daarvan
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648828:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 3:7 BW.
Zie artikel 6:142 BW.
Er zijn diverse auteurs die deze opvatting hebben (of hadden): zie onder meer: Stein, aant. 2.1.9; Steneker 2012; Rongen 2012, p. 1285; Biemans 2011, hoofdstuk 5 en Verdaas 2008, p. 277 e.v. en 295 e.v.
Houdijk & Breeman 2016 en Krzemiñski 2018, p. 503.
HR 18 december 2015, NJ 2016/34.
Verhaal zal als eerst worden gehaald op het vermogen van de schuldenaar, maar er kan ook verhaal worden gehaald op het vermogen van een derde als daar een rechtsgrond voor bestaat.
In gelijke zin: Faber en Vermunt in nr. 3 van hun noot bij HR 18 december 2015, JOR 2016/ 105; Krzemiñski 2018, p. 504 en Houdijk & Breeman 2016.
Gezien de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie kan worden geconcludeerd dat een pandhouder niet slechts de aan een verpande vordering verbonden afhankelijke rechten1 of nevenrechten2 toekomen.3 Volgens de recente ontwikkelingen is de bevoegdheid van de pandhouder ruimer en kan een pandhouder tevens andere aan een vordering gekoppelde rechten uitoefenen.4
Uit een arrest van de Hoge Raad5 kan worden afgeleid dat de kwalificatie van de aan een pandrecht gekoppelde rechten niet als uitgangspunt wordt genomen om te bepalen of die rechten door een pandhouder kunnen worden uitgeoefend. Bepalend is of de uitoefening van bepaalde aan een verpande vordering gekoppelde schuldeisersbevoegdheden zijn gericht op de inning van de verpande vordering en of deze bevoegdheden daarmee vallen onder de mogelijkheden die een pandhouder heeft of moet hebben om verhaal te kunnen halen. In een later arrest maakt de Hoge Raad onderscheid tussen:
schuldeisersbevoegdheden die betrekking hebben op de vordering;
schuldeisersbevoegdheden die strekken tot het innen van de vordering en verhalen van de vordering op het vermogen van de schuldenaar.6
Schuldeisersbevoegdheden die betrekking hebben op het vorderingsrecht, komen in principe niet toe aan de pandhouder, tenzij de wet anders bepaalt. De bevoegdheden die strekken tot het innen van de vordering en het verhalen daarvan komen wel toe aan de pandhouder.7
Concluderend kan worden gesteld dat schuldeisersbevoegdheden toekomen aan een pandhouder wanneer die bevoegdheden strekken tot het innen van de vordering of het verhalen daarvan.8 Het lijkt niet bepalend te zijn hoe die bevoegdheden of rechten worden geclassificeerd. De rechten die een pandhouder toekomen, kunnen afhankelijke rechten of nevenrechten zijn maar beslissend is dat niet. Dat brengt met zich dat bijvoorbeeld ook niet-afhankelijke zekerheidsrechten zoals persoonlijke zekerheidsrechten die strekken tot het innen van de verpande vordering of het halen van verhaal zouden kunnen worden uitgeoefend door een pandhouder.9