Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/10.4.2.4
10.4.2.4 Tekst conceptrichtlijn
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388771:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
Bij een positieve beantwoording zou de definitie van de inkomsten die binnen de reikwijdte van de richtlijn vallen kunnen worden verruimd. Onder meer door in art. 4 niet langer te verlangen dat een verband bestaat tussen de inkomsten en een dienstbetrekking. Een uitbreiding tot zelfstandigen en gepensioneerden kan onder meer worden onderbouwd met de argumenten dat het belang om te worden belast naar volledige fiscale draagkracht evenzeer geldt voor grensoverschrijdende natuurlijke personen die zelfstandige arbeid verrichten of pensioenuitkeringen ontvangen, het Hof van Justitie de Schumacker-rechtspraak uniform toepast voor het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en het vrije verblijfsrecht alsmede dat de Europese Commissie tegenwoordig deze groepen gelijktijdig in ogenschouw neemt als het gaat om het wegnemen van dergelijke fiscale belemmeringen binnen de EU. Zie voor een recent voorbeeld van dit laatste het onderzoek van de door de Europese Commissie ingestelde Expert Group waarbij de fiscale behandeling van werknemers, zelfstandigen en gepensioneerden werd onderzocht. Zie het rapport van de Expert Group, ‘Ways to tackle cross-border tax obstacles facing individuals within the EU’ (2015), p. 9.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan lidstaten die een belastingplichtige alleen als inwoner beschouwen indien hij meer dan 183 dagen in de desbetreffende staat heeft verbleven in het relevante belastingjaar. Zonder aanvulling van de reikwijdte van de richtlijn zouden werknemers in een dergelijke situatie onder omstandigheden geen bescherming genieten. Zie inzake de problematiek van de bepaling van de fiscale woonplaats tevens het rapport van de Expert Group, ‘Ways to tackle cross-border tax obstacles facing individuals within the EU’ (2015), p. 28-29 en H. Niesten, Belastingvoordelen van de grensoverschrijdende economisch actieve EU-persoon, Mechelen: Wolters Kluwer 2018, p. 291 e.v. (randnr. 325 e.v.).
Waarbij voor dit begrip wordt aangesloten bij de definitie uit art. 4 lid 2 OESO-modelverdrag.
Dezelfde twee stappen worden genomen in situaties waarin geen belastingverdrag van toepassing is. Bij de eerste stap geldt dan echter dat de bepaling van de heffingsjurisdictie van de desbetreffende lidstaat ten aanzien van de in die lidstaat belastbare inkomsten in de zin van art. 4 van de richtlijn van een niet-inwoner slechts plaatsvindt op grond van het nationale belastingrecht.
Het voormalige art. 7 conceptrichtlijn 1979.
Gebaseerd op art. 8 conceptrichtlijn 1979. Een wijziging betreft de introductie van het – ruimere – begrip ‘partner van de belastingplichtige’. Hier is de tijdgeest van de periode waarin het eerdere voorstel is gedaan duidelijk zichtbaar. In het voorstel uit 1979 werd in dit kader namelijk nog gesproken over ‘de echtgenote’.
Zie hierover paragraaf 9.3.2, 10.3.1 en 10.3.4.
HvJ EU 9 februari 2017, zaak C-283/15 (X),r.o. 46-49.
De voorgestelde nationale behandeling voor grensoverschrijdende verliesverrekening in de door mij voorstelde richtlijn gaat nog een stap verder dan de rechtspraak op dit punt (volledige nationale behandeling, niet slechts pro rata).
Anders gezegd: niet in de (bijzondere) situatie waarin de bronstaat slechts een beperkt heffingsrecht heeft ten aanzien van de arbeidsinkomsten (bijvoorbeeld maximaal een bepaald belastingpercentage mag heffen over de desbetreffende inkomsten). In die gevallen is het primaire heffingsrecht namelijk verdeeld tussen de woon- en bronstaat en gaat het niet louter om de methode ter voorkoming van dubbele belasting.
Dit betekent ook dat indien geen belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting is gesloten, de richtlijn niet voorziet in een beperking van het heffingsrecht van de woonstaat.
Hierna is de tekst van de voorgestelde conceptrichtlijn opgenomen waarin de bovengenoemde elementen zijn verwerkt. Aansluitend is een korte toelichting opgenomen ten aanzien van verschillende onderdelen van de richtlijn.
Richtlijn betreffende de fiscale behandeling van grensoverschrijdende werknemers binnen de Unie
Deel I
Algemene bepalingen en definities
Artikel 1
De Lid-Staten passen de navolgende artikelen toe op de belastingheffing met betrekking tot de inkomsten van werknemers, waarbij de artikelen in deel II en deel III worden toegepast op werknemers die geen inwoners zijn en het artikel in deel IV op werknemers die inwoners zijn.
Artikel 2
Deze richtlijn is van toepassing op belastingen op het inkomen. Als belastingen op het inkomen worden, ongeacht het heffingsstelsel, beschouwd de belastingen die worden geheven over het gehele inkomen of over bepaalde bestanddelen van het inkomen.
Artikel 3
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het begrip ‘inwoner’ uitgelegd naar de nationale fiscale rechtsvoorschriften en die der overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting.
Artikel 4
De artikelen 5, 6 en 7 zijn van toepassing op natuurlijke personen, die inwoners zijn van een Lid-Staat, doch voor de hierna te noemen inkomsten in een andere Lid-Staat worden belast, zonder inwoner ervan te zijn:
inkomsten, verworven uit als werknemer verrichte arbeid;
De artikelen 5, 6 en 7 zijn tevens van toepassing op natuurlijke personen die geen inwoner zijn van een van de Lid-Staten, doch voor de hiervoor genoemde inkomsten worden belast in een Lid-Staat zonder inwoner ervan te zijn, mits hun middelpunt van levensbelangen in een Lid-Staat is gelegen. Het middelpunt van levensbelangen van een natuurlijke persoon wordt hierbij geacht te zijn gelegen in de staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn.
Deel II
Belastingheffing naar volledige fiscale draagkracht van werknemers die geen inwoners zijn
Artikel 5
De in artikel 4 genoemde inkomsten mogen in de Lid-Staat waar deze in de belastingheffing worden betrokken niet aan een hogere belasting worden onderworpen dan wanneer de belastingplichtige inwoner van die staat zou zijn geweest.
Voor de toepassing van het tarief volgens hetwelk die inkomsten zullen worden belast in die Lid-Staat, zal de belastingplichtige worden geacht inwoner van de Lid-Staat te zijn.
De Lid-Staat zal ermee volstaan bij de heffing van de belasting van de in artikel 4 bedoelde inkomsten vrijstellingen, aftrekmogelijkheden, verminderingen en andere algemene verlichtingen, effectief toe te kennen in de mate waarin de in artikel 4 bedoelde in die staat belastbare inkomsten zich verhouden tot het bedrag van de wereldwijde belastbare inkomsten, voor zover aan inwoners in vergelijkbare situaties geen grotere voordelen worden toegekend.
Bij de vaststelling van de bovenstaande evenredigheidsbreuk zal, voor zowel de teller als de noemer hiervan, worden uitgegaan van de fiscale wetgeving van die Lid-Staat.
De Lid-Staat moet op verzoek van een in artikel 4 genoemde belastingplichtige diens eventuele buitenlandse negatieve inkomsten onder gelijke voorwaarden als voor inwoners in aanmerking nemen bij de vaststelling van de verschuldigde belasting.
Artikel 6
Indien de hoogte van de belasting op de in artikel 4 bedoelde inkomsten in de belastingheffende staat afhankelijk is van de vraag of de partner of de kinderen van de belastingplichtige inwoners zijn van die Lid-Staat moeten op verzoek van de belastingplichtige diens inkomsten door genoemde staat fiscaal worden behandeld alsof diens partner of kinderen tot de inwoners behoren.
Artikel 5, lid 1, tweede alinea, alsmede artikel 5, lid 2 en 3, zijn van overeenkomstige toepassing.
Deel III
Vereenvoudigde belastingheffing van werknemers die geen inwoners zijn
Artikel 7
Een Lid-Staat zal de in artikel 4 bedoelde belastingplichtigen de mogelijkheid bieden om, in afwijking in zoverre van het bepaalde in deel II, gebruik te maken van een vereenvoudigde heffingsprocedure indien deze belastingplichtige zijn wereldwijde inkomsten, anders dan de in artikel 4 bedoelde inkomsten, niet wenst te rapporteren in zijn belastingaangifte in die Lid-Staat.
Een Lid-Staat kan bepalen dat bij toepassing van de vereenvoudigde heffingsprocedure van het eerste lid één of meer belastingschijven geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven, mits de in artikel 4 bedoelde inkomsten hierdoor niet integraal tegen het hoogste belastingtarief worden belast.
Deel IV
Voorkoming van dubbele belastingheffing
Artikel 8
Voor zover de in artikel 4 genoemde inkomsten van een in een Lid-Staat woonachtige belastingplichtige op grond van een door deze Lid-Staat gesloten overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting onbeperkt ter heffing zijn toegewezen aan een andere Lid-Staat, dient de eerstgenoemde Lid-Staat deze inkomsten vrij te stellen ter voorkoming van dubbele belastingheffing.
Het in het eerste lid bepaalde vormt geen beletsel voor een Lid-Staat om een grondslag- en/of progressievoorbehoud toe te passen met betrekking tot de vrij te stellen inkomsten.
Deel V
Slotbepalingen
Artikel 9
Het in deze richtlijn bepaalde vormt geen beletsel voor een Lid-Staat de nationale bepalingen toe te passen, welke nodig zijn ter voorkoming van belastingfraude en misbruik.
Artikel 10
Ten einde uiterlijk op 1 januari van het derde, op het jaar van de vaststelling van deze richtlijn volgende jaar aan de richtlijn te kunnen voldoen, doen de Lid-Staten de daartoe nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 11
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
Bovenstaand tekstvoorstel start vanuit de conceptrichtlijn uit 1979, waarop vervolgens wijzigingen en aanvullingen van mijn kant zijn gedaan. Hierna wordt de richtlijn, inclusief deze aanpassingen, nader toegelicht.
In deel I worden de definities en reikwijdte van de richtlijn ingevuld (art. 1 tot en met 4). Door middel van de definitie in art. 1 is de reikwijdte van de richtlijn momenteel beperkt tot werknemers (gelet op de reikwijdte van dit onderzoek). Het verdient echter aanbeveling nader te onderzoeken in hoeverre dit voorstel tevens zou moeten gelden voor andere groepen niet-inwoners, in het bijzonder zelfstandigen en gepensioneerden.1
Art. 4 vereist in beginsel dat een natuurlijke persoon onder het nationale recht van een lidstaat als inwoner kwalificeert. Aangezien belastingplichtigen onder omstandigheden onder het nationale recht van geen van de lidstaten als fiscaal inwoner worden beschouwd, zou dit kunnen leiden tot een vacuüm.2 Ter voorkoming hiervan is de reikwijdte ook op dit onderdeel uitgebreid. Door de aanvulling in art. 4 is de richtlijn tevens van toepassing indien het middelpunt van levensbelangen van de belastingplichtige in een lidstaat is gelegen.3 Door de gekozen formulering kan dit ook de staat zijn waar de belastingplichtige als niet-inwoner in de belastingheffing wordt betrokken.
In deel II wordt de belastingheffing naar volledige fiscale draagkracht vormgegeven (art. 5 en 6). Op hoofdlijnen worden onder dit regime voor de belastingheffing van niet-inwoners twee stappen genomen, waarbij als eerste stap de in de desbetreffende lidstaat belastbare inkomsten in de zin van art. 4 van de richtlijn worden bepaald (op grond van het nationale belastingrecht en de van toepassing zijnde belastingverdragen; de bepaling van de heffingsjurisdictie) en als tweede stap de werknemer ten aanzien van dit inkomen in de belastingheffing wordt betrokken met inachtneming van zijn volledige draagkracht (in overeenstemming met de voorwaarden van deel II van de richtlijn; de uitoefening van de heffingsjurisdictie).4
In dit verband volgt uit art. 5 lid 1 dat niet-inwoners niet zwaarder mogen worden belast dan inwoners van de desbetreffende lidstaat, waarbij het toepasselijke tarief op dezelfde wijze wordt bepaald als voor inwoners (normaliter op basis van het wereldinkomen). Art. 5 lid 2 bepaalt vervolgens dat lidstaten de subjectgebonden belastingvoordelen in beginsel slechts naar evenredigheid behoeven te verlenen. Deze tekst lijkt sterk op die van de conceptrichtlijn uit 19795, waarbij nu onder meer is verduidelijkt dat de evenredigheidsbreuk door iedere lidstaat wordt bepaald conform de fiscale maatstaven van de eigen wetgeving. In aanvulling hierop volgt uit het nieuwe art. 5 lid 3 dat lidstaten niet-inwoners de mogelijkheid moeten bieden om – op verzoek – hun buitenlandse verliezen op gelijke wijze als inwoners in aanmerking te laten nemen. Art. 6 bepaalt, kort gezegd, dat bij de vaststelling van de verschuldigde belasting van de belastingplichtige, de woonplaats van de partner en/of de kinderen hierop geen invloed mag hebben.6
In deel III is het vereenvoudigde heffingsregime voor niet-inwoners beschreven (art. 7). Art. 7 lid 1 verplicht lidstaten om niet-inwoners de keuze te bieden voor een vereenvoudigde belastingafwikkeling voor het aldaar belastbare inkomen. Indien een niet-inwoner hiervoor kiest is hij niet gehouden om het overige deel van zijn wereldwijde inkomen te rapporteren in zijn belastingaangifte. In afwijking van de bepalingen in deel II wordt hij dan belast zonder rekening te houden met zijn volledige fiscale draagkracht. Uit art. 7 lid 2 volgt dat lidstaten onder dit regime kunnen bepalen dat een deel van de schijvenstructuur niet wordt toegepast (de lagere tariefschrijven). Dit ter voorkoming c.q. vermindering van ongerechtvaardigde progressievoordelen.7 Aangezien het een ‘kan-bepaling’ betreft, hebben lidstaten de vrijheid om dergelijke maatregelen al dan niet te nemen.
De richtlijn verplicht de lidstaten om beide regimes zoals beschreven in deel II en deel III in te voeren. Het regime zoals voorgeschreven in deel III zal in de praktijk echter vrijwel altijd al bestaan (reguliere buitenlandse belastingplicht). Het regime zoals beschreven in deel II mogelijk (nog) niet, maar de rechtspraak van het Hof van Justitie verplicht lidstaten onder omstandigheden inmiddels eveneens om fractionele nationale behandeling toe te kennen aan niet-inwoners (X-arrest).8 Hoewel bovenstaand richtlijnvoorstel op enkele punten verder gaat dan de verplichtingen die uit de rechtspraak volgen voor dergelijke situaties9, zullen lidstaten het in de richtlijn voorgeschreven stelsel in grote mate reeds moeten toepassen voor fractionele Schumacker-situaties. Deze ontwikkeling zou dan ook een opmaat kunnen zijn voor de introductie van pro rata-belastingvoordelen als hoofdregel (voor inwoners en niet-inwoners). De Europese Commissie zou door middel van inbreukprocedures, in navolging op het X-arrest, de implementatie van woonplaatsonafhankelijke belastingheffing naar draagkracht namelijk in een stroomversnelling kunnen brengen.
In deel IV van de richtlijn is de verplichte toepassing van de vrijstellingsmethode ter voorkoming van dubbele belastingheffing opgenomen. Om arbeidimportneutraliteit te kunnen realiseren wordt deze methode voorgeschreven ten aanzien van de door inwoners genoten arbeidsinkomsten die op grond van een belastingverdrag onbeperkt10 ter heffing zijn toegewezen aan een andere lidstaat. Aldus blijven lidstaten vrij om zelf de (primaire) heffingsrechten onderling te verdelen.11 Echter, indien dit heffingsrecht op grond van het belastingverdrag wordt toegewezen aan de werkstaat, dan wordt de (vrijstellings)methode ter voorkoming van dubbele belasting verplicht voorgeschreven om te zorgen dat de bereikte fiscale gelijkheid op de werkvloer niet wordt doorbroken door de woonstaat. Hierbij blijven lidstaten vrij om een grondslag- en/of progressievoorbehoud te hanteren bij de toepassing van de vrijstellingsmethode. Aldus wordt sterk ingezet op het creëren van een gelijk speelveld op de arbeidsmarkt (in de werkstaat).
Deel V van de richtlijn bevat de slotbepalingen en sluit aan bij de oorspronkelijke conceptrichtlijn uit 1979.