De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/11.5.6:11.5.6 Geen ondernemingsovereenkomst in de zin van de WOR
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/11.5.6
11.5.6 Geen ondernemingsovereenkomst in de zin van de WOR
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS378212:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur heerst de gedachte dat bij het toekennen van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad niet getoetst hoeft te worden aan de vertegenwoordigingsregels, omdat sprake is van een ondernemingsovereenkomst in de zin van art. 32 lid 2 WOR.1 Deze stelling verliest mijns inziens uit het oog dat het in art. 2:346 lid 1 sub e BW niet gaat om een overeenkomst met de ‘ondernemer’ als bedoeld in de WOR, maar om een overeenkomst ‘met de rechtspersoon’ als bedoeld in Boek 2 BW. De kwalificatie ‘ondernemingsovereenkomst’ leidt bij de toekenning van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad bovendien tot onwerkbare situaties. De WOR geeft aan de term ‘bestuurder’ en ‘onderneming’ namelijk een eigen, feitelijke uitleg die in de context van het enquêterecht niet zou werken. Voor een rechtsgeldige vertegenwoordiging op grond van de WOR is vereist dat de ondernemer als bedoeld in art. 1 lid 1 sub d WOR de ondernemingsovereenkomst sluit met de ondernemingsraad.2 Volgens art. 1 lid 1 sub d WOR is de ondernemer de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming in stand houdt. De ondernemer wordt vertegenwoordigd door de bestuurder in de zin van art. 1 lid 1 sub e WOR. Een bestuurder in de zin van de WOR is hij die alleen of tezamen met anderen in een onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid (art. 1 lid 1 sub d WOR). Een statutair bestuurder van de rechtspersoon voldoet niet altijd aan deze omschrijving, zeker niet als de rechtspersoon meer ondernemingen in de zin van de WOR in stand houdt. Anderzijds hoeft degene die wel aan deze omschrijving voldoet, geen bestuurder in de zin van Boek 2 BW te zijn.3 Wanneer de rechtspersoon meer ondernemingen in stand houdt, kan het begrippenstelsel van de WOR dus meebrengen dat de statutair bestuurder van de rechtspersoon niet bevoegd is om de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad te verlenen, maar de bestuurders in de zin van de WOR van de onderscheiden ondernemingen wel. Dit lijkt me niet wenselijk.
Uit de tekst en strekking van art. 2:346 lid 1 sub e BW volgt mijns inziens dat enkel de rechtspersoon de enquêtebevoegdheid kan toekennen aan de ondernemingsraad. De enquêtebevoegdheid kan natuurlijk wel onderdeel uitmaken van een ondernemingsovereenkomst, maar deze kan slechts door middel van vertegenwoordiging door het bestuur van de rechtspersoon tot stand komen en daarvoor gelden de vertegenwoordigingsregels onverkort.