Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/11.5.3
11.5.3 Geen verandering in machtsverhoudingen
mr. mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381863:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 5 oktober 2005, JOR 2005/296 (Smit Transformatoren), r.o. 3.7.
OK 10 december 2008, JOR 2009/38 (AHAM), r.o. 3.8.
Zie Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman (2013), p. 161.
Dit geldt volgens A-G Timmerman eveneens indien de enquêtebevoegdheid is toegekend aan de ondernemingsraad in een ondernemingsovereenkomst als bedoeld in art. 32 lid 2 WOR. Zie conclusie A-G Timmerman sub 3.5 voor HR 16 april 2010, JOR 2010/223 (AHAM).
Statutaire beperkingen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat het bestuur voor bepaalde besluiten – bijvoorbeeld het besluit om de enquêtebevoegdheid bij overeenkomst te verlenen – de goedkeuring van een ander orgaan nodig heeft, zie art. 2:129/239 lid 3 BW.
In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt ten aanzien van de mogelijkheid om de enquêtebevoegdheid bij overeenkomst toe te kennen het volgende opgemerkt: “In de praktijk zal dat er ook toe leiden dat het bestuur – teneinde het vennootschappelijke belang te behartigen – gebruik moet blijven maken van een omweg wanneer het de vennootschap wil beschermen tegen onwenselijke plannen van een grootaandeelhouder tot bijvoorbeeld sluiting of verplaatsing van de onderneming; het bestuur moet dan bijvoorbeeld aansturen op een enquêteprocedure op verzoek van een ondernemingsraad (op basis van een overeenkomst met de vennootschap)”, zie Kamerstukken II 2011-2012, 32 887, nr. 6 (NnavV), p. 17.
Zie ook Geerts, diss. (2004), p. 111, die van mening is dat het bestuur bevoegd is tot het nemen van een besluit tot het aangaan van een enquêteovereenkomst.
Een tweede casus-overstijgend verweer uit Smit Transformatoren dat thans nog relevant is, betreft de stelling dat voor het besluiten tot het verlenen van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad de goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering vereist is. Het toekennen van de bevoegdheid komt – in de bewoordingen van die stelling – neer “op een fundamentele verandering van de (machts)verhoudingen binnen de vennootschap”. Deze stelling gaat volgens de OK terecht niet op. Zij oordeelt dat de (machts)verhoudingen niet gewijzigd of aangetast worden door het verlenen van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad. De machtsverhoudingen worden door die toekenning enkel toetsbaar door een onafhankelijke rechter.1 Om deze reden verwerpt de OK ook in de AHAM-beschikking de stelling dat het bestuur met het verlenen van de enquêtebevoegdheid aan de PVT de aandeelhoudersvergadering buiten spel heeft willen zetten.2
Het is inderdaad zo dat handelingen die diep ingrijpen in de structuur van de vennootschap of de zeggenschap van de aandeelhoudersvergadering uithollen, slechts in uitzonderingsgevallen onder de bestuursbevoegdheid vallen.3 Met de OK ben ik van mening dat daarvan geen sprake is bij het verlenen van de enquêtebevoegdheid. Ik wil daar nog aan toevoegen dat de bevoegdheid tot het sluiten van een enquêteovereenkomst binnen de autonomie van het bestuur valt en reeds daarom geen voorafgaande goedkeuring van een ander orgaan behoeft,4 tenzij de statuten anders bepalen.5 In de wetsgeschiedenis wordt de mogelijkheid om de enquêtebevoegdheid bij overeenkomst toe te kennen omschreven als een bevoegdheid die toekomt aan het bestuur.6 De bevoegdheid om een enquêteovereenkomst aan te gaan is dus een aangelegenheid van het bestuur en valt daarmee onder de bestuursbevoegdheid.7