Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.1.2
1.1.2 Tegenstellingen over de wenselijkheid van strafbaarheid in de voorfase
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715390:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Buruma 2002, p. 1502. Overigens meent Keulen, die bij de totstandkoming van de strafbaarstelling was betrokken, dat de kritiek van Buruma op de gebrekkige motivering van de strafbaarstelling van voorbereiding miskent dat er wel degelijk over de wijziging is nagedacht en merkt op dat niet iedere overweging daarbij uiteindelijk in de memorie van toelichting hoeft te komen (Keulen 2011, p. 325).
Prakken & Roef 2004, p. 210.
Keulen 2014, p. 215.
Peters 1986, p. 35.
Peters 1986, p. 35. Vgl. ook: Verbruggen 2004, p. 204; Prakken & Roef 2004, p. 212 en 229; Mols & De Roos 1992, p. 223.
Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 2 en 3. Van Hamel meende al dat de strafbaarheid van poging direct uit het doel van het strafrecht volgt: het voorkomen van schade aan rechtsgoederen (Van Hamel 1927, p. 176). Zie ook: Smith 2011, p. 833.
Ashworth & Zedner 2014, p. 110; Ten Voorde 2012b, p. 84. Vgl. ook: Mols 2016, p. 13. Ook gevaarzettingsdelicten behoren al decennia tot het materiele strafrecht (Ten Voorde 2012b, p. 69).
Vgl. Keulen 2009a, p. 51.
Strijards 1995, p. 88. Zie bijvoorbeeld: Hof ’s-Gravenhage 9 december 1976, ECLI:NL:GHSGR:1976:AC1125, NJ 1977/381. Zie ook voetnoot 832.
Keulen 2011, p. 323.
Keulen 2011, p. 323.
Boutellier 2005, p. 113.
Vgl. Foqué & ’t Hart 1990, p. 25.
De minister schrijft: 'Ik verwachtte ook niet dat het voorliggend ontwerp in de wetenschappelijke wereld met eenstemmig enthousiasme begroet zou worden. Daarvoor heeft een groot deel van de academische wereld de laatste decennia te veel geïnvesteerd in de gedachte, dat bij het ontwerpen van materiële normstellingen de individuele rechtsbescherming van de verdachte primair of zelfs enig ijkpunt behoort te wezen' (Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 5). De Hullu linkt deze opmerking overigens impliciet aan de discussie over de wetenschappelijkheid van rechtsgeleerd onderzoek (De Hullu 1993, p. 59). Het zou mij inderdaad niet verbazen als het gebrek aan waardering voor het rechtsgeleerde inzichten over nieuwe wetgeving samenhangt met het idee dat de opvatting van een rechtsgeleerde ook maar een (subjectieve) mening is. Dat hangt op zijn beurt weer samen met de notoir vage begrippen die in met name het materiële strafrecht gehanteerd worden en de door Peeters gesignaleerde strategieën om schendingen van rechtsbeginselen recht te praten (Peeters 1972, p. 8-9).
Zie ook: Barendrecht 2002a, p. 1729.
Pompe 1945, p. 66.
De Hullu 1993, p. 58. In die lijn ook: Barendrecht 2002b, p. 1993.
Gelet op alle genoemde inconsistenties is het niet vreemd dat de steeds verder oprukkende strafbaarheid in de voorfase sterke, negatieve reacties oproept onder met name juristen. Buruma is bijvoorbeeld vernietigend over de algemene strafbaarstelling van voorbereiding; slecht gemotiveerde “prutswetgeving” naar zijn mening.1 Prakken en Roef noemen de opmars van voorfasedelicten een stille revolutie in het denken over het strafrecht.2 En Keulen meent dat de wildgroei aan strafbaarstellingen om een fundamentele herbezinning vraagt op de vraag of, en zo ja, waarom en welke voorbereidingshandelingen strafbaar moeten zijn.3 Peters schrijft dat de ontwikkeling van het strafrecht in de afgelopen 100 jaar geen verhaal van vooruitgang is geweest, maar een verhaal over uit het oog verloren zorgen en idealen.4 Maar er is, zo merkt hij ietwat weemoedig op, geen weg terug.5
Tegelijkertijd lijkt een zekere mate aan strafbaarheid in de voorfase door velen, met name ook buiten de juridische wereld, als principieel wenselijk of op zijn minst als praktisch onvermijdbaar te worden beschouwd.6 De voorfase is – overigens mede op grond van verdragen en supranationale wetgeving – inmiddels stevig binnen het bereik van het strafrecht gebracht en dat lijkt maatschappelijk zonder al te veel bezwaar te zijn aanvaard.7 Dat zowel het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen als de daaropvolgende uitbreidingen van het voorbereidingsleerstuk met grote meerderheden (soms zelfs zo goed als unaniem) door zowel de Eerste als de Tweede Kamer zijn aanvaard, duidt wat dat betreft ook op breed politiek draagvlak.8 Het lijkt dan ook niet erg realistisch om te denken dat de reikwijdte van het strafrecht in de voorfase op korte termijn zal worden ingeperkt.
Vanuit de (straf)rechtsgeleerdheid en de criminologie valt bovendien zowel om principiële als praktische redenen ook best wat voor strafbaarheid in de voorfase te zeggen. Strijards ziet de strafbaarstelling van voorbereiding bijvoorbeeld als uitwerking van de – overigens zelfs civielrechtelijk afdwingbare – plicht van de overheid om burgers te beschermen tegen het gevaar dat het tot een begin van uitvoering komt.9 En Keulen vreest dat het vertrouwen van de samenleving in de strafrechtspleging zou worden geschaad als politie en justitie steeds met lege handen zouden staan tegenover voorbereiders van ernstige misdrijven.10 Hij impliceert dat de politieke risico’s van het afwijzen van een dergelijke strafbaarstelling voor de minister te groot zouden zijn als een dergelijk incident zich voor zou doen.11 Boutellier meent in vergelijkbare zin – maar op een wat minder scherpe toon – dat strafrechtstheoretici zich onvoldoende realiseren dat de omstandigheden waaronder het strafrecht functioneert zijn veranderd en dat het strafrecht tegenwoordig een andere plaats in de samenleving inneemt.12 De klassiek liberale, juridische ideologie zou volgens hem niet goed meer aansluiten op die nieuwe werkelijkheid.13 Dat wordt wel geïllustreerd door de nogal venijnige opmerking van de minister dat het hem niet was ontgaan dat niet alle strafrechtjuristen het eens waren met zijn stelling dat de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen niet in strijd kwam met het ultimum remedium-beginsel, maar dat dit hem ook niet verraste, aangezien de academische wereld te veel zou hebben geïnvesteerd in het idee dat (enkel) de bescherming van de verdachte centraal zou moeten staan.14
Gezien de frustratie die uit deze opmerking blijkt ten aanzien van het perspectief dat de meeste juristen volgens de minister in zouden nemen en gelet op de hiervoor al gesignaleerde gebrekkige indruk die principiële juridische kritiek op strafbaarheid in de voorfase in de politieke arena maakt, bestaat het gevaar dat de strafrechtstheorie op het gebied van de voorfase de aansluiting op de politiek en de samenleving aan het kwijtraken is.15 Dat is overigens geen nieuw probleem. Pompe wees er in 1945 al op dat juristen – die hij veelzeggend eerder als wetsgeleerden dan als rechtsgeleerden ziet – over het hoofd zien dat het positieve recht samenhangt met zowel bepaalde achterliggende doeleinden, als met van tijd, plaats en cultuur afhankelijke omstandigheden in de maatschappij.16 Ook De Hullu merkt terecht op dat in wetenschappelijke publicaties meer wetsvoorstellen worden afgebroken dan opgebouwd. Hij meent dat er van rechtsgeleerde kant ook wel iets welwillender mag worden meegedacht over reële, praktische problemen.17