Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/1.4
1.4 Afbakening
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973538:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/423 e.v. (m.b.t. rechtsverwerking); Asser/Sieburgh 6-I 2020/408 e.v. (m.b.t. art. 6:89 BW); Klomp & Schelhaas, GS Verbintenissenrecht, artikel 6:89 BW (2023); Bartels, Verdaas & Verheul, GS Bijzondere overeenkomsten, artikel 7:23 BW (2021); Asser/Hijma 7-I 2019/797 e.v. (m.b.t. art. 7:23 BW) en Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020.
Zie bijvoorbeeld HR 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3953, NJ 2002/419 (De Jong/Carnifour), over verwerking van het recht van de derde-beslagene zich erop te beroepen dat zijn processuele verklaring ex art. 476a Rv onjuist was; zie ook HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, NJ 2017/75 (Bab/Cordial c.s. & MHS), waarin de Hoge Raad de mogelijkheid van verwerking van het recht op het indienen van een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer aanvaardt; zie daarnaast art. 1065 lid 4 Rv, volgens de Hoge Raad ‘een vorm van rechtsverwerking’, zie HR 23 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8097NJ 2011/475 (Berntsen/Goedkoop); zie voorts Lindijer 2006.
Zie bijvoorbeeld HR 23 april 1982, NJ 1982/335 (X/Y): de man kan zijn recht een beroep te doen op (nu) art. 1:160 BW (de beëindiging van de alimentatieplicht) verwerken als hij doorgaat met betalen van alimentatie aan zijn ex-echtgenote, als hij weet dat zij samenwoont met een andere man ‘als waren zij gehuwd’.
Zie art. 14bis Benelux Merkenwet, waarin is bepaald dat de merkhouder die het gebruik van een later gedeponeerd merk gedurende vijf opeenvolgende jaren heeft gedoogd, niet de nietigheid kan inroepen van een later depot en zich evenmin tegen het later gedeponeerde merk kan verzetten; zie voorts HR 15 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:42, NJ 2021/76.
Zie bijvoorbeeld HR 18 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0114, NJ 1991/272 (Staat/Terneuzen), waarbij het bestuursrechtelijke verbod van willekeur het de Staat belet om een vordering te innen; zie voor een voorbeeld van procedurele rechtsverwerking in het bestuursrecht CBb 10 juli 2014, ECLI:NL:CBB:2014:244AB 2014/336, waarin een beroepsgrond buiten behandeling wordt gelaten omdat appellante die grond vóór het nemen van het besluit in primo naar voren had moeten brengen; zie voorts ABRvS 1 december 1992, AB 1994/252 (verwerking recht op vestigingsvergunning) en ABRvS 17 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5409, BR 2002/961 (M.E.R.-beoordelingsplicht is verwerkt door formele rechtskracht) en recenter Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 november 2021, AB 2022/124; Rechtbank Limburg 14 september 2022, AB 2023/19.
In het aanbestedingsrecht geldt de zogeheten Grossmann-jurisprudentie, die kort gezegd inhoudt dat een gegadigde of inschrijver zijn bezwaren ten aanzien van vermeende procedurefouten van de aanbesteder tijdens de aanbesteding tijdig aan de aanbesteder kenbaar moet maken, op straffe van rechtsverwerking, zie HvJ EG 12 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93 (Grossmann); HvJ EU 28 januari 2010, ECLI:EU:C:2010:45, NJ 2010/92 (Uniplex); HvJ EU 28 januari 2010, ECLI:EU:C:2010:46 (Commissie/Ierland) en HvJ EU 12 maart 2015, ECLI:EU:C:2015:166 (eVigilo); zie ook HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0467, NJ 2009/306 (Gemeente Roermond/Vissers-Ploegmakers); zie voor lagere Nederlandse rechtspraak Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/16a.
Zie HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0932, NJ 1993/367 (Amaya/Aruba Hotel).
Conclusie A-G Leijten vóór HR 18 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9310, NJ 1987/480 (Turkyilmaz/Spinnerij de Wijs); zie ook Spierings, Afstand van recht (Mon. BW nr. A6a) 2019/2.
Zie Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/9.
Zie Tamboer 2021.
Zoals reeds uit par. 1.2 hiervoor kan worden afgeleid, is dit boek geen klassieke monografie die het onderzoeksonderwerp in al zijn aspecten min of meer uitputtend behandelt. Dit boek bevat geen verkennend eerste hoofdstuk, waarin het voorwerp van onderzoek wordt beschreven. Daarvoor verwijs ik naar diverse naslagwerken over dit onderwerp.1
Ook in een aantal andere opzichten heb ik mijn onderzoek in omvang willen beperken. In de eerste plaats geldt dat rechtsverwerking een zeer breed toepasbaar leerstuk is. In alle rechtsverhoudingen die worden beheerst door de redelijkheid en billijkheid kan rechtsverwerking een rol spelen. Er zijn echter ook andere vormen van rechtsverwerking aan te wijzen, bijvoorbeeld in het burgerlijk procesrecht,2 het personen- en familierecht,3 het intellectueel eigendomsrecht,4 het bestuursrecht5 en het aanbestedingsrecht.6 Ik laat deze vormen van rechtsverwerking in dit boek buiten beschouwing. Het is mij in dit onderzoek te doen om het spanningsveld tussen rechtsverwerking, de wettelijke klachtplichten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW en de korte verjaringstermijnen. Daarom onderzoek ik het terrein waarop sprake kan zijn van samenloop van genoemde regelingen: het verbintenissenrecht.
In de tweede plaats signaleer ik dat niet alleen de korte verjaringstermijnen verwantschap vertonen met rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten. Er zijn meer leerstukken die lijken te overlappen. De meest in het oog springende voorbeelden daarvan zijn afstand van recht en misbruik van bevoegdheid. Toch laat ik deze leerstukken in dit boek grotendeels buiten beschouwing. Tussen rechtsverwerking en afstand van recht bestaat een belangrijk conceptueel verschil. Afstand van recht is een rechtshandeling, waarvoor een op rechtsgevolg gerichte wil is vereist.7 De drempel voor het aannemen van afstand van recht ligt in dat opzicht hoger dan voor het aannemen van rechtsverwerking. In de praktijk wordt afstand van recht zelden aangenomen. Mensen hechten nu eenmaal aan hun rechten. Om met A-G Leijten te spreken: “Een recht prijsgeven behoort niet tot de normale menselijke manieren van doen. De meeste mensen staan op hun recht, en dan loopt het niet gemakkelijk weg.”8 Bij het leerstuk rechtsverwerking kan het rechtsverlies plaatsvinden tegen de wil van de rechthebbende. Het leerstuk rechtsverwerking ligt dan naar zijn aard dichter bij verjaring. Dat wordt anders wanneer rechtsverwerking wordt aangenomen op basis van gerechtvaardigd vertrouwen alleen: de schuldeiser suggereert dan zijn recht te hebben willen prijsgeven, op welke suggestie de schuldenaar gerechtvaardigd mag vertrouwen. Die variant van het leerstuk rechtsverwerking ligt erg dichtbij stilzwijgende afstand van recht. Dit raakvlak stel ik in dit boek wel aan de orde.
Verder bestaan tussen het leerstuk rechtsverwerking en misbruik van bevoegdheid belangrijke verschillen. Net als bij afstand van recht ligt voor het aannemen van misbruik van bevoegdheid de lat hoger: er geldt een zware stelplicht voor het aannemen van misbruik, waarvoor een zekere vorm van opzet is vereist. Bovendien veronderstelt rechtsverwerking een eerdere gedraging van de rechthebbende. Voor misbruik van bevoegdheid is dat niet vereist.9 Misbruik van bevoegdheid laat ik daarom buiten beschouwing.
Tot slot merk ik op dat niet alleen art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW een klachtplicht kennen, maar ook het Weens Koopverdrag (art. 39 Weens Koopverdrag). Deze klachtplicht laat ik in dit onderzoek buiten beschouwing. Voor de klachtplicht van het Weens Koopverdrag geldt dat betrekkelijk recent nog een vergelijkende studie met art. 7:23 lid 1 BW is gedaan.10