Beheer van familievermogen door middel van certificering
Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/2.4.5:2.4.5 Certificering (in combinatie met een stichting administratiekantoor)
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/2.4.5
2.4.5 Certificering (in combinatie met een stichting administratiekantoor)
Documentgegevens:
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958070:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Er bestaat geen wettelijke definitie van certificering. Kort gezegd is er sprake van een rechtshandeling waarbij de zeggenschap over het vermogen wordt gescheiden van het economisch belang bij het vermogen. In hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de omschrijving van certificering.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
“Dus het certificeren van het vermogen betekent echt het uit elkaar halen van de juridische zeggenschap en het economisch belang.”
Deze opmerking door een adviseur geeft misschien wel het meest duidelijk weer wat een reden zou kunnen zijn dat certificering1 vaak als antwoord wordt gegeven op de vraag op welke manieren het familievermogen wordt beheerd. Daarbij moet een aantal dingen worden aangetekend. Het antwoord wordt voornamelijk gegeven als er vanuit het motief continuïteit naar het beheer wordt gekeken. En notaris verwoordt het als volgt:
“De belangrijkste reden voor de certificering van bedrijven is continuïteit. Dat onafhankelijk van een schenking of een vererving de onderneming althans de zeggenschap over de onderneming continu blijft doorlopen, ongeacht wie de financiële belangen heeft bij de onderneming. Datzelfde speelt tot op zekere hoogte ook bij ander familievermogen.”
Bovendien wordt het antwoord voornamelijk gegeven in het kader van certificering van aandelen in een BV. In die situatie zal er nagenoeg altijd sprake zijn van een beheerstructuur waarin de stak juridisch rechthebbende is van de aandelen en de zeggenschap heeft over de aandelen. Het economisch belang ligt bij de certificaathouders.
Bij certificering als beheerstructuur worden ook andere instrumenten ingezet. Zo wordt het gebruik van een familiestatuut bij certificering als beheerstructuur een aantal keer genoemd. Daarnaast wordt aangegeven dat er gebruik kan worden gemaakt van schenking om de certificaten aan de volgende generatie over te dragen. Aan deze schenkingen kunnen verschillende voorwaarden zijn verbonden. Zie daarvoor paragraaf 2.4.9. Tot slot wordt aangegeven dat het belangrijk is dat eventuele testamenten en huwelijkse voorwaarden goed in de beheerstructuur passen. Niet alle respondenten houden zich overigens bezig met de vraag of deze laatstgenoemde documenten uiteindelijk ook tot stand komen.
In beginsel kunnen alle vermogensbestanddelen gecertificeerd worden, civielrechtelijk gezien. Vanuit fiscaal oogpunt is soms onduidelijk wat de gevolgen van certificering zijn. Ook zijn soms de fiscale gevolgen nadelig in de ogen van een familie. Naast de relatief grote groep van gecertificeerde aandelen lijkt uit de interviews voort te vloeien dat het certificeren van andere vermogensbestanddelen op vrij kleine schaal gebeurt. Een estate planner verwoordt het als volgt:
“Je ziet het natuurlijk bij aandelen in familieondernemingen. Maar je ziet het ook bij beleggingsportefeuilles. Zie je ook wel certificering. Het probleem met certificeren van vastgoed is dat het overdrachtsbelasting kost. Daarom zie je het niet zo vaak. Certificeren van kunst heeft als probleem dat gecertificeerde kunst niet in aanmerking komt voor de vrijstelling in box 3. Dus daarom zie je het bij kunst ook niet. Ja, ik denk dat je het inderdaad ziet bij aandelen in bedrijven en bij liquide bezittingen en niet zo zeer bij vastgoed en kunst simpelweg omdat er fiscale obstakels zijn.”
Certificering wordt niet door alle respondenten als beheerstructuur geadviseerd. Eén van de adviseurs is een uitgesproken tegenstander van certificering als beheerstructuur. Volgens deze adviseur gaat de betrokkenheid van de familie ermee verloren, terwijl die betrokkenheid essentieel is voor de continuïteit van het familiebedrijf. Bij landgoederen als vermogensobject komt daarnaast meerdere malen naar voren dat het nut van certificeren van aandelen in NSW BV’s niet wordt gezien. Certificering van aandelen van een NSW BV kan met behoud van de faciliteiten van de Natuurschoonwet. Maar bij deze groep respondenten is het geen veel voorkomende vorm. Eén van de adviseurs geeft daarvoor als mogelijke reden:
“Maar je moet je voorstellen dat de meeste van die landgoederen, dat is oud familiebezit en dat is al jaren en jaren is dat van generatie op generatie overgedragen en proberen die ouders al op relatief jeugdige leeftijd die kinderen daar al deels bij te betrekken en met wandelen en kijken bij de boer en weet ik het allemaal wat. En die hebben er best snel vertrouwen in dat dat goed gaat. En veel meer volgens mij dan als jij als ondernemer (...) zelf een onderneming groot hebt gebracht en dan zie je je twee kinderen en je denkt van oei, moeten die nou straks leidinggeven aan 1000 man, weet je wel? Dat is ook echt wel iets heel anders denk ik, dan ten opzichte van (…) dat landgoed (…) Niet dat er niets mis kan gaan zeg maar, (…), maar de beslissingen die je daarin neemt, zijn denk ik anders dan dat je dat echt in het bedrijfsleven doet.”
Verder wordt als mogelijke complicatie bij de certificering genoemd dat er verwatering van certificaten kan optreden. Voor de ene adviseur lijkt dat meer een bezwaar dan voor de andere. Dit heeft onder andere te maken met de mate van invloed die certificaathouders kunnen uitoefenen. In sommige gevallen wordt ook aangegeven dat de certificaten bijvoorbeeld pas twee generaties oud zijn, waardoor nog niet duidelijk is of, en zo ja in hoeverre, de verwatering voor problemen gaat zorgen.
Ook wordt genoemd dat de beheerstructuur van certificering te complex wordt ervaren om in te stellen voor bepaalde motieven.
Een ander aspect dat als nadelig kan worden ervaren is dat het certificaat als een gebonden vermogen kan worden gezien. Met gebonden wordt in deze context bedoeld dat de certificaathouder in sommige situaties niet eenvoudig van het certificaat af kan komen als hij dat zou willen. Dit heeft onder andere te maken met bepalingen inzake overdracht en nalaten van de certificaten en eventuele mogelijkheden tot decertificering die in de certificeringsvoorwaarden zijn opgenomen. In de hoofdstukken 5 en 6 wordt dieper op de specifieke aspecten van certificering ingegaan.
Uit de interviews volgt ook het belang van een goed functionerend bestuur van de stichting administratiekantoor. Als er geen goed functionerend bestuur is, omdat het bestuur bijvoorbeeld erg passief is, wordt de certificeringsstructuur als een last omschreven. Ook de eventuele belangenstegenstelling in het bestuur komt ter sprake, te weten dat het bestuur een evenwicht moet vinden tussen het belang van de continuïteit van de onderneming en het belang van de certificaathouders bij dividenduitkeringen.
Tot slot wordt nog aangegeven dat men zich ervan bewust moet zijn dat de certificaten in het privévermogen van de certificaathouders vallen. Het is mogelijk dat privé schuldeisers zich op de certificaten verhalen of dat de certificaten in een eventuele faillissementsboedel of in een huwelijksgemeenschap terecht komen.