De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.3.3.3:6.3.3.3 Deel II van de Overeenkomst van 29 april 2002: art. 25 van de Richtlijn
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.3.3.3
6.3.3.3 Deel II van de Overeenkomst van 29 april 2002: art. 25 van de Richtlijn
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394812:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
a) Het Richtlijnkader
In het tweede deel van de Overeenkomst wordt de situatie geregeld dat het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde moet optreden omdat het aansprakelijke voertuig onbekend is gebleven, dan wel de verzekeraar niet binnen twee maanden na het ongeval kan worden geïdentificeerd (in de praktijk mag dan worden aangenomen dat het voertuig onverzekerd was).
Anders dan in het kader van art 24 van de Richtlijn wordt de inwerkingtreding van art. 25 niet afhankelijk gesteld van een door de schadevergoedingsorganen en waarborgfondsen te sluiten overeenkomst waarin zij hun onderlinge verhoudingen regelen. Een dergelijke overeenkomst is echter wel noodzakelijk en in Deel II van de Overeenkomst van 29 april 2002 worden deze verhoudingen inderdaad geregeld.
De Richtlijn bepaalt dat het schadevergoedingsorgaan (van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde) de vergoeding dient uit te keren overeenkomstig het bepaalde in de art. 9 en 10 van de Richtlijn en dat het zich onder de voorwaarden van art. 24 lid 2, kan verhalen op - kort gezegd - het waarborgfonds van de lidstaat waar het onverzekerde voertuig gewoonlijk is gestald, dan wel op dat van de lidstaat van het ongeval als een onbekend gebleven voertuig het ongeval veroorzaakte (dit laatste ook als het door een niet verzekerd voertuig uit een niet-lidstaat is veroorzaakt). Zie voor art. 24 lid 2 van de Richtlijn paragraaf 6.33.2 onder a). Ook in het kader van art. 25 van de Richtlijn wordt het regelende schadevergoedingsorgaan een verhaalsrecht toegekend, in dit geval op het waarborgfonds van ofwel de lidstaat waar het - niet verzekerde - voertuig gewoonlijk is gestald, dan wel van de lidstaat waar het ongeval plaatsvond, als een onbekend gebleven voertuig daarvoor aansprakelijk is.
b) De fase van het behandelen van de schade met de benadeelde
De Richtlijn verplicht het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde weliswaar niet tot het informeren van het waarborgfonds waarop het verhaal zal gaan nemen, maar een dergelijke verplichting zijn de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen - begrijpelijkerwijze - wel overeengekomen: naar gelang de omstandigheden van het ongeval zal ofwel het waarborgfonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, dan wel dat van het ongeval moeten worden ingelicht.
Evenals in het geval van de verhoudingen onder art. 24 van de Richtlijn zal het regelende schadevergoedingsorgaan het waarborgfonds dat uiteindelijk restitutieplichtig is de informatie moeten verschaffen die het in staat stelt zijn schadevoorziening te bepalen. Eveneens is het verplicht het recht van het land van het ongeval toe te passen bij het bepalen van de aansprakelijkheid en het begroten van de schade. Bovendien heeft het - in de woorden van de Overeenkomst, art. 7.2 derde streepje de bepalingen van art 1 van Richtlijn 84/5/EEG (de 2e Richtlijn) in aanmerking te nemen. De materie van art. 1 van de 2e Richtlijn is thans te vinden in art 3, vierde alinea, 9 lid 1 en 10 van de Richtlijn.
Art. 3, vierde alinea bepaalt dat de verzekering zowel materiële schade als lichamelijk letsel dekt. Art. 9 lid 1 stelt de minimum verzekerde bedragen vast.
Art. 10 bepaalt dat de lidstaten waarborgfondsen moeten oprichten of erkennen, opent de mogelijkheid van subsidiariteit, geeft benadeelden een eigen recht tegen het waarborgfonds, waarbij degenen die vrijwillig en willens en wetens in een onverzekerd voertuig plaatsnemen van dekking kunnen worden uitgesloten, maakt het de lidstaten mogelijk de dekking voor materiële schade door onbekende veroorzakers te beperken of uit te sluiten, behoudens in het geval van aanzienlijk lichamelijk letsel, zij het dat in dat geval een eigen risico van € 500 mogelijk is.
Net als bij de verhoudingen tussen de schadevergoedingsorganen in het kader van art. 24 van de Richtlijn is het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval, ook als het regelend schadevergoedingsorgaan uiteindelijk verhaal neemt op een ander waarborgfonds, dat wil zeggen dat van de lidstaat waar het onverzekerde voertuig gewoonlijk is gestald, gehouden medewerking te verlenen door inlichtingen te verschaffen - onder meer omtrent het toe te passen recht - en de gewenste informatie omtrent het ongeval ter beschikking te stellen waarover het beschikt.
In paragraaf 5.6.3.2 is de vraag besproken welk recht de aanspraak van de benadeelde op het schadevergoedingsorgaan in het kader van art. 25 van de Richtlijn beheerst. Met name is daar onderzocht welke uitkeringsvoorwaarden van toepassing zijn op de verplichtingen van het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van benadeelde, als de lidstaat van het ongeval een andere is dan de lidstaat van het waarborgfonds waarop het schadevergoedingsorgaan van de woonplaats van benadeelde een regresrecht heeft. Daar heb ik het standpunt ingenomen dat het regelende schadevergoedingsorgaan de schade met de benadeelde heeft te regelen op basis van het recht van de lidstaat van het ongeval en niet op grond van het recht van de lidstaat waar het aansprakelijke, maar niet verzekerde voertuig gewoonlijk is gestald (als dat een andere lidstaat is dan die van het ongeval). Dat brengt weliswaar mee dat het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van het ongeval mogelijk andere of meer schade heeft te restitueren dan overeenkomt met zijn 'eigen' uitkeringscondities, een onoverkomelijk bezwaar acht ik dat niet.
Als een Nederlandse ingezetene een ongeval overkomt in België, waarvoor een Oostenrijks onverzekerd voertuig aansprakelijk is, zou het Nederlandse (regelende) schadevergoedingsorgaan kunnen regelen tot een onbeperkt bedrag voor zover het de letselschade van de benadeelde betreft. Het regres dat het Nederlandse schadevergoedingsorgaan kan uitoefenen op het op grond van art. 25 van de Richtlijn aansprakelijke Oostenrijkse waarborgfonds gaat uit boven het bedrag waarvoor het Oostenrijkse fonds (in eigen land) kan worden aangesproken. Voor personenvoertuigen geldt immers in Oostenrijk een verzekerd bedrag - evenals in Nederland - van € 5 miljoen per gebeurtenis.
Het omgekeerde is ook mogelijk: als het ongeval in Oostenrijk plaatsvindt terwijl een Belgisch onverzekerd voertuig aansprakelijk is, zal het Belgische waarborgfonds minder risico lopen dan wanneer het ongeval in België had plaatsgevonden.
De Overeenkomst van 29 april 2002 gaat kennelijk ook uit van de toepasselijkheid van het uitkeringsregime van het waarborgfonds, blijkens art. 7.2, tweede streepje, dat bepaalt dat het regelende schadevergoedingsorgaan - bij het bepalen van aansprakelijkheid en vaststellen van de schadevergoeding - het recht van het land van het ongeval toepast. De Overeenkomst gebruikt hier de term 'assessing compensation' en niet 'assessing the amount of damage'. De schade kan hoger zijn dan de schadevergoeding waarop de benadeelde aanspraak kan maken, niet alleen in verband met limieten aan de bedragen waarop aanspraak kan worden gemaakt, maar ook door de subsidiaire rol van (de meeste) waarborgfondsen.
In paragraaf 6.33.2 onder b) is de vraag besproken of het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde onder art. 24 van de Richtlijn verhaal kan nemen voor uitkeringen aan regresnemende particuliere en sociale verzekeraars, ook als het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar wel subsidiair is in die zin. Daar is deze vraag bevestigend beantwoord. Anders kan dit zijn onder art. 25 van de Richtlijn.
In dat geval heeft het een verhaalsrecht op het waarborgfonds van hetzij de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald, dan wel van de lidstaat van het ongeval. In dat geval zal het weliswaar in beginsel ook dan een verhaalsrecht hebben voor zijn uitkeringen aan sociale en particuliere verzekeraars, maar daaraan gaat vooraf de vraag of het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval of van de gewoonlijke standplaats van het voertuig voor uitkeringen uit hoofde van particuliere of sociale verzekering kan worden aangesproken. Als dat waarborgfonds subsidiair is - zoals bijvoorbeeld het Franse Fonds de garantie - zal het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde de regresvordering van de verzekeraar moeten afwijzen. Dan is de derde - in dit geval het waarborgfonds - immers niet verplicht de schade te vergoeden. Dat staat vanzelfsprekend niet in de weg aan een verhaalsactie van de particuliere of sociale verzekeraar op de aansprakelijke zelf.
c) De fase van het verhaal op het draagplichtige waarborgfonds
Art. 25 van de Richtlijn bepaalt dat het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde dat de schade met hem heeft afgewikkeld, een recht van verhaal heeft op:
het waarborgfonds van de lidstaat waar het voertuig waarvan de verzekeraar niet kan worden geïdentificeerd gewoonlijk is gestald;
dan wel op het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval als het betrokken aansprakelijke voertuig niet kan worden geïdentificeerd;
dan wel op de lidstaat van het ongeval als het - onverzekerde - voertuig gewoonlijk is gestald in een derde land.
Art. 8 van Deel II van de Overeenkomst van 22 april 2009 regelt dit verhaal in overeenstemming met en ter uitvoering van deze bepaling. Dit artikel is inhoudelijk geheel gelijk aan art. 3 van Deel I van de Overeenkomst en verwezen kan dan ook worden naar de uiteenzetting omtrent dit artikel in paragraaf 63.3.2 onder c) en d).