Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.4.8:2.4.8 De uitoefening van het recht van pandgebruik tijdens verzuim
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.4.8
2.4.8 De uitoefening van het recht van pandgebruik tijdens verzuim
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264380:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht van pandgebruik vervulde een bijzondere functie op het moment waarop de schuldenaar in verzuim kwam met de voldoening van zijn schuld. Als de schuldenaar in verzuim kwam, kreeg de pandhouder het recht van executoriale verkoop. Met het intreden van verzuim had de pandgebruiker echter nog een tweede mogelijkheid om zijn vordering voldaan te krijgen: hij kon zijn recht van pandgebruik blijven uitoefenen, om zijn vordering voldaan te krijgen uit de gebruiksopbrengst van het onderpand. De (hoogst gerangschikte) pandgebruiker had dus de keuze tussen executoriale verkoop of gebruik van het onderpand.1 Uiteraard had de pandgebruiker ook de mogelijkheid om zijn recht van pandgebruik uit te oefenen, en ondertussen het onderpand executoriaal te verkopen. Terwijl hij opbrengst genereerde door het onderpand te gebruiken, kon hij op zoek naar een geschikte koper. Tot het moment van levering had de pandgebruiker het onderpand onder zich, en kon (en moest) hij dus zijn recht van pandgebruik blijven uitoefenen.
Het voorgaande gold voor het recht van pandgebruik dat was gecombineerd met het vuistpand, maar ook voor het verzuim-pandgebruik. In dit laatste geval kon de pandhouder het onderpand opeisen als de schuldenaar in verzuim kwam. Vanaf dat moment kon de pandhouder zijn rechten uit pandgebruik uitoefenen en de executoriale verkoop van het onderpand starten. De functie van het recht van pandgebruik was aflossing van en zekerheid voor de vervallen wettelijke rente (en als er nog iets over was: de hoofdsom).2 Deze functie zal van belang zijn geweest voor de pandhouder die enkel uit de opbrengsten van het gebruik en de vruchttrekking zijn vordering volledig voldaan kon krijgen. Ook de pandhouder die over wilde gaan tot executoriale verkoop had er belang bij om, tot het moment van verkoop, het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. De termijn om tot executoriale verkoop over te gaan, bedroeg ten tijde van keizer Justinianus immers twee jaar.3 In deze periode kon de pandhouder terwijl hij wachtte op de executoriale verkoop een aanzienlijke opbrengst verkrijgen uit gebruik en vruchttrekking.