Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.4.1
2.4.1 Pandrecht op grond
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264375:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
D. 20,1,11,1 (Marcianus). Aut locando aut ipse percipiendo habitandoque.
C. 4,26,6 (Gallienus); C. 4,32,14 (Alexander Severus); Frezza 1963, p. 176. Beide Codexteksten bespreek ik elders in dit hoofdstuk.
D. 20,1,23pr (Modestinus).
D. 13,7,35,1 (Florentinus). Voor een moderne toepassing hiervan in het Franse recht (antichrèse-bail), zie Bobbink 2016, p. 80 en 106-108.
C. 4,24,3 (Alexander Severus); C. 8,27(28),1 (Alexander Severus); C. 4,32,17 (Philippus); C. 8,13(14),9 (Gordianus); D. 13,7,25 (Ulpianus); C. 4,32,12(11) (Alexander Severus); C. 3,37,2 (Antoninus Caracalla).
C. 4,26,6 (Gallienus); C. 4,32,14 (Alexander Severus).
Geciteerd in de hoofdtekst van §2.2: “Ei, qui pignori fundum accepit, non est iniquum utilem petitionem servitutis dari, sicuti ipsius fundi utilis petitio dabitur. idem servari convenit et in eo, ad quem vectigalis fundus pertinet/Het is niet onbillijk dat aan degene die een perceel grond in pand heeft gekregen, een analoge vordering voor een erfdienstbaarheid wordt verleend, net zo als voor een perceel grond zelf een analoge vordering gegeven zal worden. men is het erover eens dat men dezelfde gedragslijn moet volgen jegens degene aan wie een cijnsplichtig perceel overheidsgrond toebehoort.”
D. 43,25,1,5 (Ulpianus). Eigen vertaling. Ei quoque, qui pignori fundum acceperit, scribit iulianus non esse iniquum detentionem servitutis dari.
Overigens is het mogelijk dat in de oorspronkelijke tekst niet het woord detentionem stond, maar petitionem. Dit zou overeenstemmen met de eerdere tekst van Julianus.
Ten eerste bespreek ik de bevoegdheden die de pandgebruiker kreeg uit een verpand stuk grond. Een tekst die een beeld gaf van de mogelijkheden om grond te gebruiken door de pandhouder is D. 20,1,11,1 (Marcianus). De schuldeiser mocht als volgt de grond gebruiken en de vruchten ervan trekken:
“hetzij door het te verhuren, hetzij door zelf de vruchten te trekken en er te wonen.”1
De tekst laat de drie belangrijkste manieren zien waarop de pandgebruiker een verpand stuk grond kon exploiteren. De pandgebruiker kon de aan hem verpande woning bewonen.2 Daarnaast kon hij de grond verhuren en zo burgerlijke vruchten innen. De verhuur kon niet alleen aan derden plaatsvinden,3 maar ook aan de pandgever.4 Ten slotte had de pandgebruiker de mogelijkheid om verpande grond zelf te bewerken. De waarde van de verhuur of de geoogste vruchten kwam in mindering op de gesecureerde vordering of kwam in plaats van een rentevergoeding.5 In teksten waarin de pandhouder zijn recht van pandgebruik uitoefende door bewoning had het recht van pandgebruik steeds een rentefunctie.6
Naast deze rechten had de pandgebruiker mogelijk de bevoegdheid om rechten uit te oefenen die afhankelijk waren van de grond waarop hij een pandrecht had. Gedacht kan worden aan een recht van erfdienstbaarheid dat was gevestigd ten behoeve van de aan de pandgebruiker verpande grond. Dit volgt uit D. 8,1,16 (Julianus).7 Uit de tekst blijkt dat de pandhouder op een stuk grond een actie tot opeising van een erfdienstbaarheid mocht instellen. Zoals gezegd kan dit impliceren dat de pandhouder al in de tijd van Julianus bevoegd was om een aan het verpande stuk grond verbonden recht, de erfdienstbaarheid, uit te oefenen.
D. 43,25,1,5 (Ulpianus), die op de voornoemde Julianustekst is gebaseerd, geeft hetzelfde beeld:
“Julianus schrijft dat het niet onbillijk is dat ook aan degene die een perceel grond in pand heeft aangenomen, het houderschap van een erfdienstbaarheid te verlenen.”8
Deze tekst laat zien dat de pandhouder een erfdienstbaarheid ten behoeve van de verpande grond mocht uitoefenen. Hij verkreeg immers het houderschap van de erfdienstbaarheid.9