Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.4.7
2.4.7 Huurvorderingen
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264437:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
D. 13,7,35,1 (Florentinus); D. 20,1,23pr (Modestinus).
D. 20,1,11,1 (Marcianus).
C. 4,24,2 (Alexander Severus).
Vgl. Bobbink 2016, p. 3-4 en 9.
D. 22,1,36 (Ulpianus). Praediorum urbanorum pensiones pro fructibus accipiuntur.
D. 24,3,7,11 (Ulpianus). De pensionibus quoque praediorum urbanorum idem est quod in fructibus rusticorum.
D. 22,1. De usuris et fructibus et causis et omnibus accessionibus et mora. Volgens Lenel was deze tekst naar klassiek recht niet een algemene uitspraak, maar moest zij gelezen worden in verband met de executoriale verkoop of executoriale verhuur van vruchtdragende landerijen: Lenel, Palingenesia Iuris Civilis II, p. 788-789. Nu deze tekst los is opgenomen, in een in een afdeling die speciaal over vruchten gaat, meen ik dat deze tekst naar Justiniaans recht wel degelijk geldt als een algemene uitspraak.
Aldus Digestentitel 24,3: Soluto matrimonio dos quemadmodum petatur. Zie ook Lenel, Palingenesia Iuris Civilis II, p. 1133-1135.
Eigen vertaling van โipsae.โ โIpsaeโ congrueert met โpensionesโ.
D. 7,1,59,1 (=PS 3,6,27b) (Paulus). Quidquid in fundo nascitur vel quidquid inde percipitur, ad fructuarium pertinet, pensiones quoque iam antea locatorum agrorum, si ipsae quoque specialiter comprehensae sint. sed ad exemplum venditionis, nisi fuerint specialiter exceptae, potest usufructuarius conductorem repellere. Vergelijk ook D. 7,1,58pr (Scaevola); D. 7,1,59,2 (=PS 3,6,27c) (Paulus).
Vgl. Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 877.
D. 20,1,11,2 (Marcianus).
C. 4,24,2 (Alexander Severus). Quod ex operis ancillae vel ex pensionibus domus, quam pignori detineri decis, perceptum est, debiti quantitatem relevabit.
Vgl. D. 42,5,24,1 (Ulpianus), waarin de schuldeiser die geld had uitgeleend voor het herstel van een gebouw een voorrecht kreeg.
D. 20,1,20 (Ulpianus). Cum convenit, ut is, qui ad refectionem aedificii credidit, de pensionibus iure pignoris ipse creditum recipiat, etiam actiones utiles adversus inquilinos accipiet cautionis exemplo, quam debitor creditori pignori dedit.
Smit 2020, p. 152.
Smit 2020, p. 152-153; Lioni 1885, p. 54. Zie ook Van Oven 1948, nr. 94. Mogelijk anders: Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1898. Volgens de glosse gaat het wel degelijk om een analogie op pignus nominis in het algemeen, niet specifiek om een analogie op schuldbekentenissen.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1898. Over de actio utilis bij pignus nominis zie Verhagen 2013, p. 62; Smit 2020, p. 193-266.
Van Hoof 2015, p. 31-37; Verhagen 2013, p. 61-63.
Vgl. Zimmermann 1996, p. 60-63.
Vgl C. 4,24,2 (Alexander Severus); C. 4,32,12(11) (Alexander Severus); C. 8,42(43),20 (Diocletianus); C. 4,24,12 (Maximianus); C. 4,24,1 (Septimius Severus & Antoninus Caracalla); D. 20,1,1,3 (Papinianus).
D. 20,1,1,3 (Papinianus).
De omstandigheden dat de pandhouder in staat was om huurvorderingen te innen met een actio utilis en de huurder kon verdrijven met de actio Serviana zouden overigens kunnen maken dat de pandhouder wel kwalificeerde als possessor (โbezitterโ). Door huurvorderingen te innen en eventueel de huurder te verjagen oefende de pandhouder immers wel degelijk een bepaalde macht over het onderpand uit. Deze uitleg van de pandhouder als possessor zou uitkomst bieden, als we er vanuit zouden gaan dat possessio altijd een vereiste was voor het uitoefenen van rechten uit pandgebruik, vgl. ยง2.3.6.
De pandgebruiker had de bevoegdheid om het onderpand te verhuren. Hij kon dit doen aan een derde, maar ook aan de pandgever.1 De huurtermijnen die de pandhouder verkreeg op grond van een huurovereenkomst die hij met een huurder sloot, golden als vruchten. Afhankelijk van de functie die het recht van pandgebruik had, werkten deze vruchten als rentevergoeding2 of als aflossing op de gesecureerde vordering.3 De pandhouder kon de huurvorderingen in zijn hoedanigheid van verhuurder innen. Hiertoe had hij de actie uit de huurovereenkomst, de actio locati.
Een vervolgvraag is, of de pandhouder op grond van zijn pandrecht ook huurvorderingen mocht innen die ontstonden uit een verhouding tussen de pandgever en een derde.4 Ook huurvorderingen die ontstonden uit een huurovereenkomst tussen pandgever-verhuurder en derde-huurder waren vruchten van het onderpand. Het innen van huurvorderingen paste dus goed binnen de algemene bevoegdheid tot vruchttrekking door de pandgebruiker, ook al was de pandgebruiker zelf geen partij bij de huurovereenkomst. Tegen deze mogelijkheid pleit, dat het niet de pandgebruiker was die het onderpand exploiteerde, maar de pandgever. De pandhouder was geen partij bij de huurovereenkomst, en had in beginsel dan ook geen recht op betaling van de huurvorderingen. Hij kon geen actie uit overeenkomst instellen tegen de derde-huurder. Om de pandhouder toch inningsbevoegd te maken, zou de praetor een actie moeten toekennen aan de pandhouder. In het Corpus Iuris Civilis is zoโn actie niet ondubbelzinnig overgeleverd.
Verschillende teksten geven echter wel aanwijzingen dat de pandhouder ook huurvorderingen kon innen die ontstonden in de verhouding tussen de pandgever-verhuurder en derde-huurder. Deze aanwijzingen liggen in teksten over het pandrecht, teksten over het recht van vruchtgebruik en de definitie van een vrucht in het Romeinse recht.
Ten eerste laten twee teksten zien dat huurvorderingen in het algemeen werden beschouwd als vruchten:
D. 22,1,36 (Ulpianus):
โHuuropbrengsten van stedelijke erven worden als vruchten beschouwd.โ5
En D. 24,3,7,11 (Ulpianus):
โTen aanzien van de huurpenningen van stedelijke erven geldt hetzelfde als bij de vruchten van landelijke erven.โ6
Deze twee fragmenten maken duidelijk dat huurpenningen kennelijk als vruchten werden beschouwd. D. 22,1,36 staat in de afdeling die gaat over โrente, vruchten, gederfde voordelen, alle bijkomende objecten, alsmede verzuim.โ7 Daarnaast stelde Ulpianus (in de context van de verdeling van vruchten uit een bruidsschat na scheiding) huurpenningen van stedelijke erven gelijk aan vruchten van landelijke erven.8 Deze twee teksten hadden geen betrekking op het pandrecht. Wel laten de twee teksten zien dat huurpenningen vielen onder het Romeinse begrip van vruchten. Aangezien de pandhouder in het algemeen de bevoegdheid kreeg de vruchten van het onderpand te trekken, ligt het voor de hand dat de pandhouder ook de bevoegdheid kreeg om huurvorderingen te innen, ook als zij ontstonden in de verhouding tussen de pandgever en een derde.
Ten tweede was de vruchtgebruiker in het Romeinse recht bevoegd om huurvorderingen te innen als hij een recht van vruchtgebruik had op de woning die werd verhuurd door de bloot-eigenaar. Hierbij maakte het niet uit of de huurovereenkomst (voorafgaand aan het vruchtgebruik) was gesloten tussen de bloot-eigenaar en een derde-huurder, of tussen de vruchtgebruiker en een huurder. Dit volgt uit D. 7,1,59,1 (Paulus):
โAl wat op het erf groeit en al wat daarvan gewonnen wordt, komt toe aan de vruchtgebruiker, ook de huursommen van voorheen reeds verhuurde akkers, als die huursommen9 uitdrukkelijk zijn inbegrepen. De vruchtgebruiker kan trouwens, tenzij de huursommen uitdrukkelijk zijn uitgezonderd, naar analogie met verkoop de huurder verdrijven.โ10
In deze tekst was een akker verpacht aan een boer. Daarna werd een vruchtgebruik gevestigd op de akker, terwijl de boer de akker nog steeds pachtte. De pachtsom kwam toe aan de vruchtgebruiker. Hij mocht zelfs de boer van de grond verdrijven.11 Als de vruchtgebruiker huurvorderingen kon innen die voortvloeiden uit een overeenkomst tussen de bloot-eigenaar en een derde-huurder, ligt het voor de hand dat de pandgebruiker deze bevoegdheid ook had. Zowel bij het recht van vruchtgebruik als bij het pandgebruik stond de bevoegdheid van vruchttrekking immers centraal.12 Deze interpretatie vindt steun in het (relatief moderne13) idee dat het pandrecht een beperkt recht is, dat is afgeleid uit een meeromvattend recht. Zoals ik hiervoor uiteen heb gezet, kreeg de pandhouder van een recht van vruchtgebruik de bevoegdheid om dit recht van vruchtgebruik uit te oefenen. Als de vruchtgebruiker, een beperkt gerechtigde, het recht had om huurvorderingen te innen die voortvloeiden uit een overeenkomst tussen bloot-eigenaar en derde-huurder, ligt het voor de hand dat de pandgebruiker op dit recht van vruchtgebruik hetzelfde mocht doen. Dit maakt aannemelijk dat degene met een recht van pandgebruik op het meer omvattende eigendomsrecht (meer omvattend dan het recht van vruchtgebruik) de bevoegdheid ook had.
Ten derde vormen twee teksten over het pandrecht een aanwijzing dat de pandgebruiker van een verhuurde zaak bevoegd was om huurvorderingen te innen die ontstonden in de verhouding tussen pandgever-verhuurder en derde-huurder.
C. 4,24,2 (Alexander Severus):
โWat genoten is uit de arbeid van een slavin of uit de huursommen van een huis dat - naar u zegt - in pand gehouden wordt, zal het bedrag van de schuld verminderen.โ14
Het passieve taalgebruik in deze tekst suggereert dat het niet uitmaakte of de pandgebruiker zelf de verpande woning had verhuurd, of dat zij al was verhuurd toen het pandrecht tot stand kwam. Alles wat de pandgebruiker aan huursommen had ontvangen, moest hij in mindering brengen op de gesecureerde vordering.
Daarnaast is er D. 20,1,20 (Ulpianus):15
โWanneer overeengekomen is dat degene die geld heeft uitgeleend voor het herstel van een gebouw, bij wijze van pand het geleende bedrag rechtstreeks uit de huurtermijnen afgelost zal krijgen, verkrijgt hij tegen de huurder ook aangepaste acties, dit naar analogie van het geval van een schuldbekentenis die door een schuldenaar aan zijn schuldeiser in pand gegeven is.โ16
Het is niet geheel duidelijk wat de casus van deze tekst was. De tekst geeft dat de pandhouder zijn vordering rechtstreeks uit huurtermijnen voldaan kreeg. Hij kon zich op de huurvorderingen verhalen krachtens een pandrecht.17 Uit de tekst blijkt echter niet waarop dit pandrecht rustte: op het verhuurde gebouw, of op de huurvorderingen.
Volgens Smit ging D. 20,1,20 over een pandrecht op vorderingen. De pandhouder kon zich op de huurvorderingen verhalen, omdat hij een pandrecht op die huurvorderingen had. Uit de tekst blijkt dat de pandhouder de verpande huurvorderingen kon innen met een actio utilis. De zinsnede cautionis exemplo, quam debitor creditori pignori dedit (dit naar analogie van het geval van een schuldbekentenis die door een schuldenaar aan zijn schuldeiser in pand gegeven is) duidt op een ontwikkeling van het pandrecht op vorderingen: eerst werd de actio utilis gegeven aan personen aan wie een schuldbekentenis in pand was gegeven. Pas daarna kwam de actio utilis toe aan personen aan wie een vordering was verpand zonder dat een schuldbekentenis was overhandigd aan de pandhouder.18
Ik ben het met Smit eens dat deze interpretatie voor de hand ligt. Een andere interpretatie acht ik echter ook verdedigbaar. De schuldeiser kon zich niet verhalen op de huurvorderingen op grond van een pandrecht op die huurvorderingen, maar op grond van zijn recht van pandgebruik op het verhuurde gebouw. Naar analogie van het pandrecht op vorderingen kreeg de pandgebruiker een actio utilis om de huurvorderingen te innen.19 Voorts is denkbaar dat in de overeenkomst van pandgebruik een lastgeving tot inning (cessiemandaat) of openbare verpanding van de huurvorderingen besloten lag. Deze interpretatie en de interpretatie van Smit hoeven elkaar dus niet uit te sluiten.
Als D. 20,1,20 inderdaad over een recht van pandgebruik ging, leidt dit tot de conclusie dat de pandhouder huurvorderingen kon innen die ontstonden in de verhouding tussen derden en de pandgever. Vermoedelijk had de pandhouder dan een actio Serviana utilis om de huurvorderingen te innen, naar analogie van het pandrecht op vorderingen en het pandrecht op vruchten.20 Mogelijk lag in de pandovereenkomst of de overeenkomst van zelfstandige antichrese bovendien een lastgeving tot inning besloten, op grond waarvan de pandgebruiker een actio locati utilis kon instellen tegen de huurder.21 Voor deze interpretatie pleit dat zij goed past bij andere teksten over het recht van pandgebruik. In plaats van aflossingen op de gesecureerde vordering genoot de pandgebruiker iets anders: huursommen.22 In dat geval lag de combinatie met een hypotheca voor de hand.23 Als verhuurder bleef de pandgever de macht over het verhuurde uitoefenen. De pandgebruiker werd echter bevoegd om de huurvorderingen te innen. Voor het innen van huurvorderingen was niet noodzakelijk dat de pandgebruiker de verhuurde woning โonder zichโ had. De pandhouder was bovendien in staat om het verhuurde onder de huurder op te eisen met de actio Serviana.24
De tekst geeft onvoldoende informatie om vast te stellen welke van de hiervoor besproken interpretaties het meest aannemelijk is. Wel kunnen we uit deze tekst afleiden dat de mogelijkheid bestond dat een schuldeiser, ter voldoening van zijn vordering, huurvorderingen inde terwijl hij geen partij was bij de huurovereenkomsten waaruit deze huurvorderingen voortvloeiden. Deze tekst en de teksten die ik hiervoor heb besproken, laten zien dat het systeem van het Romeinse recht toeliet dat een pandhouder, op grond van zijn recht van pandgebruik op een verhuurde zaak, de opgekomen huurvorderingen inde. Het Corpus Iuris Civilis geeft echter geen zekerheid over het antwoord op de vraag of de pandhouder van een verhuurde zaak huurvorderingen kon innen die voortvloeiden uit een huurovereenkomst waarbij hij zelf geen partij was.