HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989, NJ 2008/53, rov. 3.3; HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0637, rov. 2.3; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5263, rov. 2.3; HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2800, rov. 3.3; HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:404, rov. 2.3; HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1022, NJ 2023/267, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3; HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1452, rov. 2 met verwijzing naar de conclusie van A-G Spronken vóór dat arrest; HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:95, rov. 2.3.
HR, 31-03-2026, nr. 25/01759
ECLI:NL:HR:2026:498
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-03-2026
- Zaaknummer
25/01759
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:498, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:161
ECLI:NL:PHR:2026:161, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:498
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑07‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0122
Uitspraak 31‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex. art. 94a Sv op auto onder zoon van klager t.z.v. verdenking van meerdere verkeersovertredingen, waarna auto in strafzaak tegen zoon bij onherroepelijk vonnis verbeurd wordt verklaard en beklagrechter de klager n-o verklaart. Bevoegdheid Rb (enkelvoudige raadkamer). Is Rb bevoegd tot behandeling van klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv, nu tegen strafvonnis ingesteld hoger beroep is ingetrokken? HR ambtshalve: Als gerecht dat bevoegd is tot afdoening van klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv constateert dat sinds indiening daarvan betreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing ten laste van ander zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan verkeer, moet dit klaagschrift worden opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv. Als dat gerecht (gelet op art. 552b.2 Sv) niet bevoegd is tot behandeling van zo opgevat klaagschrift, moet het bepalen dat griffier de stukken zendt naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht (vgl. HR:1993:ZC9284). In dit geval is vonnis met daarin verbeurdverklaring van auto pas in cassatiefase van beklagzaak onherroepelijk geworden. Ook in die situatie moet klaagschrift worden opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv (vgl. 2011:BM0781 en HR:2026:35). HR zal met vernietiging van beschikking van Rb de zaak voor verdere behandeling en afdoening verwijzen naar het o.g.v. art. 552b.2 Sv bevoegde gerecht. HR bepaalt dat stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden teruggezonden naar Rb. CAG (strekking): klager n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01759 B
Datum 31 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 april 2025, nummer RK 25/008865, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat C.W.J. Faber bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
2. Ambtshalve beoordeling van de beschikking van de rechtbank
2.1
Bij een op 31 maart 2025 op de griffie van de rechtbank Oost-Brabant ingediend klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is door de klager om teruggave verzocht van een op 13 maart 2024 onder de zoon van de klager inbeslaggenomen Volkswagen Golf. Daartoe is door de klager gesteld dat de Volkswagen Golf hem toebehoort. De rechtbank heeft het klaagschrift bij beschikking van 22 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
2.2
Uit de stukken volgt dat de Volkswagen Golf waarvan de klager teruggave verzoekt bij vonnis van 22 april 2025 in de strafzaak tegen de zoon van de klager is verbeurdverklaard. Uit bij de rechtbank Oost-Brabant ingewonnen inlichtingen blijkt dat het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep op 24 oktober 2025 is ingetrokken, zodat dit onherroepelijk is.
2.3
Als het gerecht dat bevoegd is tot afdoening van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv constateert dat sinds de indiening daarvan de betreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing ten laste van een ander zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer, moet dit klaagschrift worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv. Als dat gerecht – gelet op artikel 552b lid 2 Sv – niet bevoegd is tot behandeling van het zo opgevatte klaagschrift, moet het bepalen dat de griffier de stukken zendt naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht. (Vgl. HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284.)
2.4
In dit geval is het vonnis met daarin de verbeurdverklaring van de genoemde Volkswagen Golf pas in de cassatiefase van de beklagzaak onherroepelijk geworden. Ook in die situatie moet het klaagschrift worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv. (Vgl. HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM0781 en HR 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:35.) De Hoge Raad zal met vernietiging van de beschikking van de rechtbank de zaak voor verdere behandeling en afdoening verwijzen naar het op grond van artikel 552b lid 2 Sv bevoegde gerecht.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- bepaalt dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden teruggezonden naar de rechtbank Oost-Brabant.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.
Conclusie 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01759 B
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De klager is bij beschikking van 22 april 2025 (RK-nummer 25-008865) door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van een onder zijn zoon in beslag genomen personenauto, te weten een Volkswagen Golf met het [kenteken] .
1.2
Het cassatieberoep is op 29 april 2025 ingesteld namens de verdachte. C.W.J. Faber, advocaat in Eindhoven, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag.
1.3
Deze conclusie strekt ertoe dat de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Het verloop van de zaak
2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
2.3
Op 21 maart 2024 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend. Het klaagschrift strekte tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de bovengenoemde auto.
2.4
Op 5 juli 2024 heeft de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het klaagschrift van de klager behandeld en ongegrond verklaard. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat er twijfel bestaat of de auto van de klager of van zijn zoon is, dat de klager zijn stelling dat hij de auto nodig heeft voor zijn werk onvoldoende met stukken heeft onderbouwd, dat de zoon van de klager wordt verdacht van overtreding van art. 5a WVW 1994 en dat het, gelet op de door de politie beschreven handelingen van die zoon, niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de auto verbeurd zal verklaren.
2.5
Op 31 maart 2025 is namens de klager wederom een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de auto. In het klaagschrift wordt aangevoerd dat de klager de eigenaar van de auto is, dat het beslag, gelet op het tijdsverloop, niet langer in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat bij voortduring van het beslag de klager onevenredig in zijn vermogen wordt getroffen, zodat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de auto zal bevelen. Het klaagschrift houdt daarnaast het volgende in:
“Vanwege het korte tijdsbestek tot de inhoudelijke behandeling verzoekt klager dit klaagschrift – uit praktische overwegingen – gelijktijdig te behandelen met de strafzaak van de zoon.”
2.6
De rechtbank heeft de behandeling van het hernieuwde klaagschrift aansluitend gepland op de behandeling van de strafzaak tegen de zoon van de klager met het parketnummer 01-278429-24. In die strafzaak is gevraagd om een beslissing over de in beslag genomen auto.
2.7
Op 22 april 2025 heeft de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, mondeling uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de zoon van de klager. De politierechter heeft daarbij onder meer de verbeurdverklaring bevolen van de onder de zoon van de klager in beslag genomen auto.
2.8
Aansluitend op de behandeling van de strafzaak tegen de zoon van de klager heeft de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank het klaagschrift van de klager behandeld. De rechter die als politierechter fungeerde in de strafzaak tegen de zoon van de klager, heeft als beklagrechter het klaagschrift van de klager behandeld en de klager niet-ontvankelijk verklaard in het klaagschrift. Daarover is in de beschikking het volgende te lezen:
“Beoordeling
(…)
De rechtbank stelt vast dat de politierechter in de strafzaak tegen [betrokkene 1] (parketnummer 01-278429-24) bij vonnis van 22 april 2025 inmiddels heeft beslist over het in beslag genomen goed. De politierechter heeft de personenauto verbeurd verklaard nu er met de in beslag genomen personenauto door [betrokkene 1] meerdere strafbare feiten zijn gepleegd en de [betrokkene 1] kan worden aangemerkt als de rechthebbende.
De rechtbank zal derhalve het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag.”
2.9
Tegen het vonnis van de politierechter is door/namens de zoon van de klager hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep is op 24 oktober 2025 namens de zoon van de klager ingetrokken. Daarmee is de uitspraak van de politierechter, waarbij de auto verbeurd is verklaard, onherroepelijk geworden.
Het juridisch kader
2.10
De omstandigheid dat in een strafzaak een beslissing is genomen over een in beslag genomen voorwerp brengt met zich dat een klager geen belang meer heeft bij zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan de klager van dat in beslag genomen voorwerp. De beschikking op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is immers naar zijn aard een voorlopige beslissing in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag. Door de beslissing over het beslag in de strafzaak kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.1.Dat is ook zo als de in de strafzaak genomen beslissing over het beslag (nog) niet onherroepelijk is.2.Indien echter in de strafzaak het in beslag genomen voorwerp verbeurd is verklaard en die beslissing uitvoerbaar is geworden, kan daartegen door de belanghebbende, niet zijnde de verdachte of de veroordeelde, op grond van art. 552b Sv worden geklaagd.3.
De bespreking van de zaak
2.11
Uit de hiervoor geschetste procesgang blijkt dat de auto waarvan de klager de teruggave verzoekt ten tijde van de behandeling van het hernieuwde klaagschrift (nog) niet onherroepelijk verbeurd is verklaard. In cassatie kan er dus van worden uitgegaan dat namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is ingediend en dat de rechtbank het klaagschrift niet had hoeven op te vatten als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv.4.
2.12
Gelet op hetgeen onder randnr. 2.10 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat de auto waarvan de klager de teruggave verzoekt in de strafzaak tegen de zoon van de klager ten tijde van de behandeling van het hernieuwde klaagschrift (nog) niet onherroepelijk verbeurd is verklaard, heeft de rechtbank de klager terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift. Anders dan in de schriftuur wordt aangevoerd, doet hieraan niet af dat in het hernieuwde klaagschrift nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit zou blijken dat de klager de rechthebbende van de auto zou zijn.
2.13
In de toelichting op het middel wordt over de procedurele gang van zaken bij de rechtbank nog aangevoerd dat het plannen van de behandeling van het klaagschrift van de klager direct na de behandeling van de strafzaak tegen de zoon van de klager verbazing wekt en onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel had het klaagschrift niet behandeld mogen worden onmiddellijk na de behandeling van de strafzaak, maar had het klaagschrift vóór of gelijktijdig met die strafzaak moeten worden behandeld. Hierbij wijst de steller van het middel op het “zeer vergaande” gevolg dat de beslagbeslissing in de strafzaak heeft voor de uitkomst in de beklagprocedure, namelijk niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn klaagschrift.
2.14
Hierin volg ik de steller van het middel niet. Vooropgesteld moet worden dat de planning van een strafzaak en een daarmee samenhangende beklagzaak is voorbehouden aan de rechterlijke instantie die is belast met de behandeling van die zaken. De opvatting dat de behandeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv moet plaatsvinden vóór de behandeling van de strafzaak waarin onder meer een beslissing wordt genomen over het in beslag genomen voorwerp waarvan in het klaagschrift teruggave is verzocht, vindt geen steun in het recht. Daarbij komt dat het finale oordeel over het beslag berust bij de strafrechter en niet bij de beklagrechter. Voorkomen moet worden dat twee (of meer) rechters zich tegelijkertijd in naast elkaar lopende procedures uitlaten over het beslag met mogelijk tegenstrijdige oordelen als uitkomst.5.Gelet hierop stond het de rechtbank vrij om de behandeling van het klaagschrift van de klager aansluitend te plannen op de behandeling van de strafzaak tegen zijn zoon.
2.15
Volledigheidshalve merk ik ten slotte nog op dat de wijze van planning door de rechtbank van de behandeling van het klaagschrift van de klager en de strafzaak tegen de zoon van de klager niet ertoe heeft geleid dat de klager een effectief rechtsmiddel is ontnomen. De klager is hierdoor weliswaar niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, maar art. 552b Sv bood de klager de mogelijkheid om op te komen tegen de in de strafzaak tegen zijn zoon uitgesproken verbeurdverklaring binnen drie maanden nadat die beslissing op 24 oktober 2025 uitvoerbaar is geworden.
3. Slotsom
3.1
Het middel behoeft geen bespreking.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑02‑2026
Zie onder meer HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1022, NJ 2023/267, m.nt. P.A.M. Mevis en HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:95, rov. 2.3.
HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5263, rov. 2.3; HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:1273, rov. 2.4; HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1063, NJ 2019/301, rov. 2.3.2.
HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284, NJ 1994/263, m.nt. Th.W. van Veen, rov. 6.4 en HR 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:35, rov. 2.2.
Vgl. P.A.M. Mevis, ‘Beklag tegen beslag: eerder verbetering dan vervanging van het bestaande; over de wenselijkheid van een integraal verbeterprogramma’, DD 2023/59, p. 783 en zijn noot onder HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1022, NJ 2023/267.
Beroepschrift 29‑07‑2025
Hoge Raad der Nederlanden
Cassatieschriftuur
In de strafzaak tegen
[klager]
raadsman: mr. C.W.J. Faber
Hoogedelachtbaar college,
Namens de heer [klager], geboren op [geboortedatum] 1972, wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres], in het vervolg: requirant in cassatie of requirant, wordt door mr. C.W.J. Faber, advocaat en kantoorhoudende te (5611 SW) Eindhoven aan de Rozentuin 2, die door requirant bepaaldelijk is gevolmachtigd om dit cassatieschriftuur op te stellen, te ondertekenen en in te dienen, het navolgende middel van cassatie voorgedragen.
Dit cassatieschriftuur is gericht tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant de dato 22 april 2025 in de klaagschriftprocedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (kenmerk 25-008865).
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid met zich medebrengt. In het bijzonder is geschonden artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering doordat de rechtbank onbegrijpelijk, althans niet voldoende gemotiveerd, requirant niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingediende klaagschrift.
Toelichting:
1.
Blijkens de daarvan opgestelde akte werd op 31 maart 2025 namens requirant een (tweede) klaagschrift, ook gedateerd op 31 maart 2025, ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant ingediend. Het ingediende klaagschrift richtte zich tegen de in beslagname van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, met chassisnummer [001], bouwjaar 2019, gekentekend [kenteken], waarbij ook een last tot teruggave van dat voertuig werd verzocht.
2.
Uit het onderliggende klaagschrift blijkt dat daarin de stelling wordt betrokken dat van nieuwe feiten en omstandigheden is gebleken ten opzichte van een eerder namens requirant ingediend klaagschrift.
3.
Dat inderdaad van dergelijke nieuwe feiten en omstandigheden kan blijken ten opzichte van het eerste klaagschrift steunt onder meer op het als bijlage bijvoegen van onderbouwende documenten zoals een door requirant ondertekend koopcontract, schriftelijke verklaringen van diverse getuigen en gegevens van het op naam van requirant staand bankrekeningnummer.
4.
Op 22 april 2025 werd het hier centraal staand klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Direct daaraan voorafgaand had de rechtbank klaarblijkelijk de verbeurdverklaring uitgesproken van hetzelfde voertuig. Dat laatste geschiedde in de zaak van de verdachte/veroordeelde in de zaak met parketnummer 01/278429-24. Laatstbedoelde persoon betreft de biologische zoon van requirant.
5.
Deze gang van zaken ter zitting wekt verbazing en is onbegrijpelijk. De behandelend rechter was er — gelet op de bewoordingen in de beschikking — van op de hoogte dat namens requirant meergenoemd klaagschrift was ingediend. Sterker, vooraf was klaarblijkelijk reeds besloten dat dit klaagschrift zou worden behandeld direct aansluitend aan de behandeling van de hiervoor gememoreerde strafzaak. De rechtbank gebruikt ter zake het woord ‘gepland’ in haar beschikking volgens requirant niet voor niks.
6.
Namens requirant wordt opgemerkt dat het klaagschrift niet behandeld had mogen worden direct na de eindbeslissing in de daarvoor behandelde strafzaak, maar daarvoor of gelijktijdig. Het gevolg van de genomen beslissing in de strafzaak ten aanzien van het in beslag genomen goed, hier relevant, is voor requirant zeer vergaand geweest, namelijk de niet-ontvankelijkheid in het ingediende klaagschrift.
7.
Daarnaast is de beslissing materieel gezien niet, althans onvoldoende gemotiveerd, en onbegrijpelijk. In het klaagschrift worden nieuwe feiten en omstandigheden benoemd, met aanlevering van de daarbij horende onderbouwende schriftelijke bescheiden, ten opzichte van het eerder ingediende klaagschrift. Uit deze aangeleverde nieuwe feiten en omstandigheden kan klip en klaar blijken dat requirant de rechthebbende is op het voertuig. Daarin had voor de rechtbank aanleiding moeten liggen om het hier centraal staande klaagschrift inhoudelijk te behandelen. Een enkele verwijzing naar de beslissing op het eerder ingediende klaagschrift, of naar de eerder genomen beslissingen in de meergenoemde strafzaak welke direct voorafgaand werd behandeld, volstaat bij deze stand van zaken niet.
Redenen waarom:
Op grond van al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, kan de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant niet in stand blijven. Namens requirant in cassatie wordt verzocht om vernietiging van de beslissing en terugverwijzing, althans verwijzing.
Eindhoven, 29 juli 2025
mr. C.W.J. Faber