Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/7.3.1.a
7.3.1.a De doelvennootschap als de gedaagde
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS594209:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo Leijten (2003), p. 55. In OK 5 oktober 1989, TVVS 1990, p. 258-259 (Schokbeton), wijst de OK tussenarrest omdat niet duidelijk is of de uitkoper aan de ontvankelijkheidsvereisten voldoet, omdat ‘nochtans de vennootschap wie vestigingsplaats uiteraard bekend is, niet mede gedagvaard [is]’. In de zaken OK 1 februari 1990, rolnr. 1349/88, n.g. (Deli-Atjeh) en OK 21 september 2000, rolnr. 624/2000, n.g. (Alpinvest), wijst de OK daarentegen de vordering toe, hoewel duidelijk is dat de doelvennootschap eigen aandelen houdt en niet in de procedure opgeroepen is.
Van Dort (1989), p. 211-212; Asser/Maeijer 2-II 1994/510 beantwoorden deze vraag bevestigend. Handboek (1992), nr. 199; Van Vliet (1999), p. 42 daarentegen ontkennend.
OK 12 september 2002, JOR 2002/223 (Intereffekt); OK 12 september 2002, JOR 2002/224 (Weweler).
OK 12 maart 2013, ARO 2013/60 (HITT); OK 15 januari 2013, ARO 2013/29 (IFCO Systems); OK 26 mei 2005, ARO 2005/93 (Scala Business Solutions); OK 14 oktober 2004, ARO 2004/131 (Haslemere); OK 17 november 2003, ARO 2003/180 (Hollandsche Beton Groep); OK 21 februari 2002, ARO 2002/45 (Acurra). Sanders/Westbroek (2005), p. 649 spraken nog de verwachting uit dat de OK terug zou komen op haar ‘onpraktische beleid dat geen recht doet aan de bedoeling van de uitkoopregeling’.
Bulten (2003), p. 12, wijst er voorts op dat ook uit de parlementaire geschiedenis niet volgt dat beoogd is om de vennootschap met eigen aandelen niet onder het begrip ‘de gezamenlijke andere aandeelhouders’ te scharen. Anders: Handboek (1992), nr. 199, waarin gesteld wordt dat met de gezamenlijke andere aandeelhouders in de uitkoopprocedure enkel bedoeld zijn de houders van alle uitstaande aandelen. De aandelen die de vennootschap zelf houdt, vallen daar dan niet onder.
Evenzo Van Dort (1989), p. 211-212; Bulten (2003), p. 12.
Een aantal auteurs wijst er op dat het niet heel waarschijnlijk is dat de doelvennootschap haar aandelen tussentijds vervreemdt, o.a. Van Vliet (1999), p. 42; Leijten (2003), p. 57; Holtrop (2003), p. 23. Josephus Jitta (onder JOR 2002/224) noemt mijns inziens ten onrechte als argument ‘dat ook in andere gevallen dat de uitkoop van minderheidsaandeelhouders wordt gevorderd, de minderheidsaandeelhouders hun aandelen kunnen overdragen en hun rechtsopvolgers aan een toewijzing van de vordering door de OK op dezelfde wijze als hun rechtsvoorgangers zijn gebonden’. Het verschil is echter dat de uitkoopvordering en dus ook de veroordeling – in tegenstelling tot de door de vennootschap gehouden aandelen – wel op deze aandelen zien. De uitkoper kan het arrest vervolgens door middel van consignatie tegen ‘degene aan wie de aandelen toebehoren’ ten uitvoer leggen. Zie uitgebreid over consignatie § 10.4.
Evenzo Buijs/Storm (2013), p. 1127; Storm (2014), p. 303.
Als de vordering tot uitkoop ziet op aandelen aan toonder, dan is het volgens mij praktisch onmogelijk om de vennootschap met eigen aandelen niet uit te kopen. De vordering is dan namelijk veelal gericht tot de als ‘de gezamenlijke niet bij naam bekende houders van’ of ‘alle onbekende houders van aandelen’. Hieronder valt in dat geval ook de doelvennootschap, zie bijvoorbeeld OK 3 april 2012, ARO 2012/59 en OK 11 december 2012, JOR 2013/72 (Gamma Holding). Evenzo Bulten (2003), p. 12.
Josephus Jitta onder JOR 2002/224; Holtrop (2003), p. 23-24; Leijten (2003), p. 57; Buijs/Storm (2013), p. 1127.
S. 974(4) CA 2006. In het Verenigd Koninkrijk gaat het bij de ontvankelijkheidsdrempel om de vraag op hoeveel aandelen het bod betrekking had.
S. 974(5)(6) CA 2006.
S. 979(5) CA 2006.
O.m. OK 30 juli 2013, ARO 2013/140 (LBi International); OK 5 februari 2013, ARO 2013/42 (Wavin); OK 5 oktober 2010, JOR 2011/212 (Schuitema); OK 6 juli 2010, JOR 2010/267 (CompleTel); OK 24 juli 2008, ARO 2008/148 (Getronics); OK 15 mei 2008, JOR 2008/198 (VNU Group); OK 21 december 2006, ARO 2007/16 (Airspray); OK 24 februari 2005, ARO 2005/44 (Koninklijke Vendex KBB); OK 12 februari 2004, JOR 2004/132 (Vredestein). Hierover ook Van Solinge (2004). Zie OK 11 december 2012, JOR 2013/72 (Gamma Holding), waarin de doelvennootschap zich voorwaardelijk voegt aan de zijde van de oorspronkelijk eiser, voor het geval de OK oordeelt dat zij ten onrechte niet is gedagvaard.
Josephus Jitta (JOR 2002/224) stelt, naar mijn mening ten onrechte, dat een doelvennootschap de vordering tot uitkoop niet mede kan instellen, omdat zij ‘geen deel van haar eigen kapitaal verstrekt’. De doelvennootschap kan wel degelijk eigen kapitaal verschaffen en een vordering tot uitkoop mede instellen, aldus ook Holtrop (2003), p. 23-24.
Een vennootschap die aandelen in haar eigen kapitaal houdt, behoort eveneens tot de gezamenlijke andere aandeelhouders. De uitkoper moet haar zelf in de procedure oproepen en de overdracht van de door haar gehouden aandelen vorderen. Dit is vaste rechtspraak sinds 2002.
Voor die tijd bestond er geen consistente rechtspraak over de vraag of het dagvaarden van een vennootschap met eigen aandelen in een uitkoopprocedure verplicht is.1 Ook in de literatuur was hierover geen eensgezindheid.2
In september 2002 maakt de OK een einde aan deze onduidelijkheid. Op één dag wijst zij in twee procedures de vordering tot uitkoop af, omdat de uitkoper de vennootschap die eigen aandelen houdt niet in de procedure heeft opgeroepen. De OK overweegt hiertoe:
“nu eiseres heeft nagelaten de vennootschap zelf – die houdster is van aandelen in zichzelf – mede in dit geding te betrekken, is de vordering niet, zoals art. 2:201a BW voorschrijft, ingesteld tegen “de gezamenlijke andere aandeelhouders.’”3
De OK heeft dit uitgangspunt ook nadien bevestigd in andere uitkoopprocedures.4
De beslissing van de OK is in overeenstemming met de tekst van de wet. Een vennootschap die haar eigen aandelen houdt, valt simpelweg onder de gezamenlijke andere aandeelhouders.5 De uitkoopregeling is bedoeld om álle aandelen te verkrijgen (§ 4.2.1). Bovendien voorkomt het dagvaarden van de doelvennootschap dat de door haar gehouden aandelen buiten het bereik van het gerechtelijk bevel tot overdracht vallen.6 Indien de vennootschap de aandelen gedurende of na de procedure overdraagt, kan de uitkoper de gedwongen overdracht niet ten uitvoer leggen jegens de verkrijger.7
Anderzijds past de gedwongen overdracht van de door de vennootschap gehouden eigen aandelen niet in de gedachte van de uitkoopregeling.8 De gedwongen overdracht is gerechtvaardigd gelet op de nadelen die kleven aan de aanwezigheid van een minderheid (§ 4.2.2). Deze nadelen, bijvoorbeeld het verplicht houden van fysieke algemene vergaderingen of de onmogelijkheid van besluitvorming buiten vergadering, spelen niet indien de doelvennootschap de overige aandelen houdt. De uitkoper heeft daarom geen reden om deze aandelen over te nemen, maar is hier dus wel toe verplicht.9
Daarnaast is het opmerkelijk dat de door de vennootschap gehouden aandelen ingevolge art. 2:24d lid 1 BW in een uitkoopprocedure niet meetellen voor het geplaatste kapitaal (§ 6.3.3 sub c), maar de uitkoper wel gehouden is deze aandelen uit te kopen. De kritiek is dat de uitleg van de OK te restrictief is en het dagvaarden van de doelvennootschap onpraktisch.10
De uitkoopregeling in het Verenigd Koninkrijk kent deze tegenstrijdigheid niet. Als uitgangspunt geldt, net als in Nederland, dat de door de vennootschap gehouden aandelen niet meetellen voor de ontvankelijkheidsdrempel.11 Het verschil met de Nederlandse regeling is echter dat de gedwongen overdracht dan ook geen betrekking heeft op deze treasury shares. Daar staat tegenover dat de uitkoper er voor kan kiezen het voorafgaand bod tevens op deze aandelen te richten.12 In dat geval tellen de treasury shares wel mee in de berekening en moet de uitkoper deze aandelen overnemen.13
In het geval de doelvennootschap een relatief groot aantal aandelen in haar eigen kapitaal houdt, kan het voor de uitkoper nadelig zijn als hij haar moet uitkopen. De uitkoper kan dit voorkomen door de doelvennootschap als mede-eiser in de uitkoopprocedure te laten optreden.14 Zij dienen hiervoor wel te kwalificeren als groepsmaatschappij in de zin van art. 2:24b BW (§ 6.2.4 sub a).15