Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.2.1
7.2.1 Concurrente schuldeisers
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS441225:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.5.
Hieronder vallen derhalve ook de schuldeisers die krachtens art. 143 lid 1 afstand hebben gedaan van hun recht van voorrang. Zij zijn ingevolge art. 143 lid 2 Fw concurrente schuldeisers geworden. Hetzelfde geldt voor schuldeisers die een beroep doen op art. 132 lid 1 Fw. Indien zij kunnen aantonen dat zij vermoedelijk niet volledig zullen worden voldaan, krijgen zij voor het onvoldane deel de rechten van een concurrente schuldeiser.
Hof Amsterdam 28 juni 1904, W 8150. Anders Hof Arnhem 7 maart 1916, NJ 1916, 931 en Moll, Rechten van niet-geverifieerde schuldeisers na homologatie van een liquidatie-akkoord, R.M. 1918, p. 69 e.v.
Art. 165 lid 1 Fw luidt als volgt:
"Ontbinding van het gehomologeerde akkoord kan door eiken schuldeischer gevorderd worden, jegens wien de schuldenaar in gebreke blijft aan den inhoud daarvan te voldoen."
Art. 165 lid 1 Fw dient te worden gelezen in samenhang met art. 157 Fw.1 Uit art. 157 Fw volgt immers voor wie een gehomologeerd akkoord verbindend is. Het antwoord op de vraag wie gebonden is aan een akkoord, omvat tevens het antwoord op de vraag wie ontbinding van dat akkoord kan verzoeken. Eerder is gebleken dat uit het stelsel van de wet volgt dat de regeling van het akkoord alleen de concurrente schuldeisers raakt en mitsdien kunnen alleen zij worden gebonden aan een gehomologeerd akkoord.2 Het voorgaande betekent dat het verzoek tot ontbinding van een akkoord kan worden ingesteld door iedere gebonden, concurrente schuldeiser, indien de schuldenaar nalaat het akkoord jegens hem na te komen. Krachtens art. 157 Fw valt onder de gebonden schuldeiser niet alleen de concurrente schuldeiser wiens vordering is erkend, maar in beginsel ook de concurrente schuldeiser wiens vordering is betwist, de concurrente schuldeiser wiens vordering voorwaardelijk is toegelaten en de concurrente schuldeiser die niet in het faillissement is opgekomen. Zo ook het hof Amsterdam dat begin vorige eeuw reeds besliste dat ook niet-opgekomen schuldeisers bij niet-nakoming van een akkoord ontbinding van dat akkoord kunnen verzoeken:
"dat toch art. 157 der Faillissementswet leert, dat het accoord verbindend is voor alle geen voorrang hebbende schuldeischers zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn en het geen zin zou hebben dat de laatstbedoelde categorie van schuldeischers, hoewel evenzeer door de overeenkomst verbonden, bij niet-nakoming daarvan het recht zoude missen de ontbinding van het accoord te vorderen;
dat dan ook de wetgever dit onderscheid niet maakt, maar integendeel, blijkens art. 165 der Faillissementswet, het recht om ontbinding te vorderen geeft aan eiken schuldeischer jegens wien de schuldenaar in gebreke blijft aan den inhoud van het accoord te voldoen;"3
Met deze overweging van het hof ben ik het eens. Indien krachtens art. 157 Fw alle concurrente schuldeisers zonder uitzondering partij worden bij een gehomologeerd akkoord, brengt dat met zich dat ieder van hen het recht heeft ontbinding van dat akkoord te vorderen indien de schuldenaar het akkoord jegens hem niet nakomt. Nu de wet in art. 157 Fw in het kader van de gebondenheid aan het akkoord geen onderscheid maakt tussen de verschillende groepen van concurrente schuldeisers, is het niet aannemelijk dat de wetgever wel een onderscheid heeft willen maken in het kader van het kunnen instellen van het verzoek van art. 165 Fw. Bovendien wordt in art. 165 Fw uitdrukkelijk gesproken van 'iedere' schuldeiser.