Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.2.2:7.2.2 Niet-opgekomen schuldeisers
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.2.2
7.2.2 Niet-opgekomen schuldeisers
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS447332:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ervan uitgaand dat sprake is van een percentage-akkoord.
Zie onder meer art. 3:310 lid 2 en 3 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de voorgaande paragraaf is gebleken dat ontbinding van een akkoord kan worden verzocht, indien de schuldenaar het akkoord niet is nagekomen jegens één of meer schuldeisers. Kan een niet-opgekomen schuldeiser een beroep doen op art. 165 Fw en ontbinding van het akkoord verzoeken met alle wettelijke gevolgen van dien? Het antwoord op deze vraag is in de paragraaf hiervoor al gegeven.
Een niet-opgekomen schuldeiser loopt het risico dat het vermogen van de schuldenaar reeds is verdeeld, wanneer hij zijn aanspraak inroept. Kan een niet-opgekomen schuldeiser in die situatie het ontbindingsrecht van art. 165 lid 1 Fw nog inroepen wanneer de schuldenaar zijn aanspraak niet wil of kan honoreren? Het systeem van de wet is dat een niet-opgekomen schuldeiser aan een gehomologeerd akkoord gebonden is en uit dien hoofde in beginsel recht heeft op het akkoordpercentage.1 Indien de schuldenaar het akkoord niet jegens de niet-opgekomen schuldeiser nakomt, kan deze ontbinding van het akkoord verzoeken. De schuldenaar is dan immers jegens de schuldeiser in gebreke gebleven. De vraag is echter of aan het geldend maken van de aanspraak van een niet-opgekomen schuldeiser een termijn verbonden zit. Het voorgaande levert voor de schuldenaar immers een onzekere situatie op. Hij kan nadat hij aan het akkoord heeft voldaan, geconfronteerd blijven worden met niet-opgekomen schuldeisers. De Faillissementswet voorziet niet in een bepaalde termijn, waarbinnen niet-opgekomen schuldeisers zich dienen te melden bij de schuldenaar. In verband met de rechtszekerheid zou het stellen van een termijn echter wel wenselijk zijn. Ingevolge art. 3:306 BW verjaart een rechtsvordering in ieder geval door verloop van twintig jaren, tenzij de wet anders bepaalt.2 Zijn de twintig jaren verlopen, dan kan een niet-opgekomen schuldeiser niet langer aanspraak maken op het akkoord. Ingevolge art. 3:306 BW resteert slechts een natuurlijke verbintenis. De vraag is of mede indachtig het doel van het akkoord een nadere begrenzing zou moeten gelden voor de aanspraak van een niet-opgekomen schuldeiser. In dat verband zou aansluiting kunnen worden gevonden bij art. 3:307 BW en art. 3:310 BW. Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst verjaart door verloop van vijf jaren, nadat de vordering opeisbaar is geworden. De verjaringstermijn van art. 3:307 BW vangt derhalve eerst aan na opeisbaarheid van de vordering. Voor art. 3:310 BW geldt, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een boete in beginsel verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De aanvang van de verjaringstermijn van vijf jaren wordt derhalve gekoppeld aan de opeisbaarheid van de vordering dan wel de bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon. Door aan te sluiten bij de verjaringstermijnen van de artt. 3:307 en 3:310 BW zou een nadere begrenzing kunnen worden gegeven aan de aanspraak van een niet-opgekomen schuldeiser en tevens tegemoet worden gekomen aan het doel van het akkoord en de rechtszekerheid.
De rechtspositie van een niet-opgekomen schuldeiser bij een gehomologeerd akkoord blijft een lastige kwestie, nu daarover niets in de wet is geregeld. Indien het tot een geschil komt, behoort het uitgangspunt te zijn dat een niet-opgekomen schuldeiser vanwege zijn gebondenheid aan een gehomologeerd akkoord, aanspraak kan maken op dat akkoord. Voor de aanspraak van een niet-opgekomen schuldeiser is derhalve niet relevant of het vermogen van de schuldenaar reeds is verdeeld. In het concrete geval zal vervolgens aan de hand van de omstandigheden moeten worden beoordeeld of het redelijk is dat een niet-opgekomen schuldeiser zijn aanspraak op het akkoord nog kan uitoefenen. Bij die beoordeling ligt aansluiting bij de genoemde verjaringsregelingen in het Burgerlijk Wetboek het meest voor de hand.