Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.3.3
2.3.3 De toelichting op de doelstellingen in latere belastingwetten
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285598:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 1910/11, 217, nr. 3, blz. 10. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 17 september 1913, Kamerstukken II 1913/14, 16, nr. 16.
Wet van 19 december 1914, tot heffing eener Inkomstenbelasting (Wet op de Inkomstenbelasting 1914), Kamerstukken II 1913/14, 18, Stb. 1914, 563. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1911/12, 144 en Kamerstukken II 1912/13, 44.
Art. 98 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 2.
Sinninghe Damsté 1931, blz. 477. In zijn conclusie voorafgaand aan HR (civiele kamer) 14 mei 1964, ECLI:NL:HR:1964:15, NJ 1964/430 betoogt A-G W.P. Bakhoven dat de tekst van art. 67 AWR nog de meeste overeenkomsten vertoont met die van art. 102 Wet IB 1914 en dat er nog het meeste voor te zeggen is om in art. 67 AWR een voortzetting te zien van art. 102 Wet IB 1914.
Juist het opheffen van de fiscale geheimhoudingsplicht door het opnemen van een mogelijkheid om inlichtingen te verstrekken ten behoeve van de gemeentelijke inkomstenbelasting leidde (wederom) tot veel discussie. Zie uitgebreider: par. 7.1 hierna.
Wet van 22 juni 1916, tot heffing eener oorlogswinstbelasting (Wet Oorlogswinstbelasting 1916), Kamerstukken II 1915/16, 331, Stb. 1916, 288. Het voorstel van wet werd ingediend op 10 maart 1916 en in krap drie maanden door beide Kamers geloodst. Zie ook: Stenfert Kroese 1916 en Koster 2019.
MvT, Kamerstukken II 1915/16, 331, nr. 3, blz. 15.
Wet van 18 augustus 1916, tot heffing van buitengewone belastingen ter gedeeltelijke bestrijding der kosten van den oorlogstoestand (Verdedigingsbelasting I), Kamerstukken II 1915/16, 313, Stb. 1916, 411. De wet was bedoeld als tijdelijke belasting voor drie belastingjaren (1916/17 t/m 1918/19), maar werd pas in 1941 afgeschaft.
Art. 2 Verd. Bel. I.
Wet van 18 augustus 1916, tot heffing van eene buitengewone belastingen ter gedeeltelijke bestrijding der kosten van den oorlogstoestand (Verdedigingsbelasting II), Kamerstukken II 1915/16, 313, Stb. 1916, 412. Zie uitgebreider: Ohmstede 1916, blz. 47 e.v.
Wet van 6 mei 1921, tot heffing van een tabaksaccijns (Tabakswet 1921), Kamerstukken II 1920/21, 19, Stb. 1921, 712. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1915/16, 219, Kamerstukken II 1917/18, 83 en Kamerstukken II 1919/20, 20.
Art. 50, MvT, Kamerstukken II 1915/16, 219, nr. 3, blz. 16. Vergelijk: art. 33 Wet op de DT 1917 waarin de geheimhoudingsbepaling niet verder werd gemotiveerd dan een algemene opmerking dat verscheidene artikelen waren overgenomen uit de Wet IB 1914 (MvT, Kamerstukken II 1915/16, 202, nr. 3, blz. 7). Zie ook: art. 6 van de Wet van 26 juli 1918 tot vaststelling van regelen voor de heffing van opcenten ten behoeve der gemeenten op de dividend- en tantième-belasting, Kamerstukken II 1917/18, 78, Stb. 1918, 502.
MvT bij art. 50, Kamerstukken II 1915/16, 209, nr. 3, blz. 9. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij (ongedateerde) brief Minister van Financiën, Kamerstukken II 1918/19, 82, nr. 1.
Art. 4, derde lid, Ontwerp van wet (Wet op de Pensioenbelasting 1916), Kamerstukken II 1915/16, 206, nr. 2. Deze passage was ‘onduidelijk en vaag’ en zou leiden tot onzekerheid hetgeen – zeker bij belastingwetten – moest worden voorkomen (VV, Kamerstukken II 1915/16, 206, nr. 5, blz. 9). Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 24 oktober 1918, Kamerstukken II 1918/19, 55, nr. 1. Vergelijk: art. 9 Ontwerp van wet (Wet op de Vlootbelasting 1916), Kamerstukken II 1915/16, 208, 2.
Wet van 19 september 1946, tot heffing van een vermogensaanwasbelasting (Wet op de Vermogensaanwasbelasting 1946), Kamerstukken II 1945/46, 166, Stb. 1946, G 264.
Wet van 11 juli 1947, op de vermogensheffing ineens (Wet op de Vermogensheffing ineens 1947), Kamerstukken II 1946/47, 346, Stb. 1947, H 238.
Art. 55 Wet VAB 1946 werd in het geheel niet toegelicht. Met betrekking tot de Wet VHI 1947 werd slechts opgemerkt dat, voor zover mogelijk, aansluiting was gezocht bij de Wet VB 1892 (MvT, Kamerstukken II 1946/47, 346, nr. 3, blz. 11).
MvT, Kamerstukken II 1950/51, 1957, nr. 3, blz. 6.
Wet van 21 december 1950 op de personele belasting (Wet op de personele belasting 1950), Kamerstukken II 1950/51, 1408, Stb. 1950, K 598.
MvT, Kamerstukken II 1949/50, 1408, nr. 3, blz. 7, par. 1.
MvT, Kamerstukken II 1949/50, 1408, nr. 3, blz. 7, par. 2.
Wet van 16 april 1896, tot regeling der Personele Belasting (Wet op de Personele Belasting 1896), Kamerstukken II 1895/96, 15, Stb. 1896, 72. Vergelijk: MvA (Rijksbegroting voor het dienstjaar 1930), Kamerstukken II 1929/30, 2 VII B, nr. 8, blz. 13 waar met betrekking tot geheimhouding in de Wet PB 1896 wordt opgemerkt dat: “(…) de belasting geheven wordt naar uiterlijk waarneembare kenteekenen, zoodat een belang van geheimhouding ontbreekt”.
In latere belastingwetten wordt de strikte geheimhoudingsverplichting – of juist het ontbreken daarvan – veelal niet specifiek meer toegelicht. Zo staat in de memorie van toelichting van het (ingetrokken) wetsvoorstel tot heffing van een debietrecht op tabak slechts: “De verplichting tot geheimhouding komt overeen met die in de wet op de bedrijfsbelasting opgenomen. Evenals daar heeft zij ook hier alle reden van bestaan”.1 Op 1 mei 1915 is, ter vervanging van de Wet op de BB 1893, de Wet IB 1914 in werking getreden.2 In art. 102 Wet IB 1914 was een strikte geheimhoudingsbepaling opgenomen.3 Bij de totstandkoming van de Wet IB 1914 is voor de geheimhouding voortgeborduurd op de Wet VB 1892 en de Wet op de BB 1893.4 In de memorie van toelichting noch in de verdere behandeling van het wetsvoorstel werd gemotiveerd waarom de geheimhoudingsbepaling noodzakelijk was.5 In de OWB 1916 – een belasting over de vermeerdering van het inkomen of de winst als gevolg van de oorlogstoestand (Eerste Wereldoorlog) – werd voor zover mogelijk qua systematiek aansluiting gezocht bij de Wet IB 1914.6 Met betrekking tot de geheimhoudingsbepaling van art. 67 OWB 1916 werd slechts opgemerkt dat deze was ontleend aan de Wet IB 1914.7 De Verd. Bel. I – ter bestrijding van de kosten van de Eerste Wereldoorlog – werd als een tweede vermogensbelasting ingevoerd met een afwijkend tarief.8 De bepalingen van de Wet VB 1892, waaronder de fiscale geheimhoudingsbepaling, waren grotendeels van overeenkomstige toepassing.9 Tegelijkertijd met Verd. Bel. I werd ook de Verd. Bel. II ingevoerd die aansloot bij de bepalingen van de Wet IB 1914.10 Opmerkelijk genoeg was géén geheimhoudingsbepaling opgenomen en ontbrak een verwijzing naar art. 102 Wet IB 1914.
Ook in de Tabakswet 1921 werd het opnemen van een geheimhoudingsbepaling niet specifiek gemotiveerd.11 In de memorie van toelichting wordt slechts opgemerkt dat de verplichting tot geheimhouding ‘mutatis mutandis’ overeenkomt met die in de Wet IB 1914.12 Vergelijkbaar is het (ingetrokken) wetsvoorstel BDH 1916.13 Slechts in algemene termen wordt verwezen naar de Wet VB 1892 en de Wet IB 1914. In het (ingetrokken) wetsvoorstel op de Pensioenbelasting 1916 werden alle bepalingen van de Wet IB 1914 van toepassing verklaard “(…) voor zoover die bepalingen niet in strijd zijn met de bepalingen dezer wet en voor zoover de aard dier bepalingen hare toepasselijkheid niet uitsluit”.14 Direct na de Tweede Wereldoorlog werden twee eenmalige heffingen ingevoerd: de Wet VAB 194615 en de Wet VHI 1947.16 Aan de (nagenoeg identieke) geheimhoudingsbepalingen van art. 55 Wet VAB 1946 en art. 38 Wet VHI 1947 werd gedurende de parlementaire behandeling geen aandacht besteed.17 Ook in de memorie van toelichting van de Wet VFN is slechts aangegeven dat de verplichting tot geheimhouding in veel, maar niet alle Rijksbelastingwetten voorkomt.18 De (ontbrekende) toelichting op de geheimhoudingsbepaling van art. 44 Wet PB 1950 kan tot slot niet achterwege blijven.19 In de memorie van toelichting is opgemerkt dat een aantal formele bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming zijn gebracht met de overeenkomstige bepalingen in onder meer de inkomstenbelasting.20 In de artikelsgewijze toelichting stelt Minister Lieftinck dat hij zich beperkt tot datgene waarin het wetsontwerp afwijkt van de Wet PB 1896.21 De geheimhoudingsbepaling wordt vervolgens niet nader toegelicht, terwijl deze in de wet PB 1896 nog niet voorkwam.22