Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.6.3.1:5.6.3.1 Rapporten van adviescommissies
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.6.3.1
5.6.3.1 Rapporten van adviescommissies
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412599:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Als voorbeeld noem ik de geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap.
Persbericht ministerie van Financiën 25 juni 1999, nr. 99/141, V-N 1999/30.3.
OECD 2004, p. 6-8.
Kamerstukken II 2005/06, 30 300, nr. 33, p. 8.
Kamerstukken II 2005/06, 30 300, nr. 3, p. 11.
SCP 2004 en SCP 2006.
EC 2005 en EC 2006, p. 4.
IMF 2006, p. 14.
VNO-NCW/MKB-Nederland 2006.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de beantwoording van de vraag aan welke adviescommissies gewicht moet worden toegekend, maak ik onderscheid tussen 1. privaatrechtelijke adviescommissies en 2. publiekrechtelijke adviescommissies of adviescommissies die door de overheid zijn geïnitieerd.
Het verschijnen van een rapport van een privaatrechtelijke adviescommissie1 leidt in mijn visie in beginsel niet tot een verhoging van de voorzienbaarheid van een wetswijziging. Alleen indien het onderzoek op uitdrukkelijk verzoek van het kabinet heeft plaatsgevonden, zou het een signaal kunnen vormen voor een toekomstige wetswijziging. Aan deze uitzondering ga ik evenwel voorbij; de voorzienbaarheidsfactor voor rapporten van privaatrechtelijke adviescommissies stel ik derhalve op nihil.
Rapporten van publiekrechtelijke adviescommissies vormen veelal een basis voor het kabinetsbeleid. Bij de herziening van de inkomstenbelasting per 1 januari 2001 heeft met betrekking tot de belastingheffing over winst uit onderneming het rapport ‘Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw’ een belangrijke rol gespeeld.2 Deze commissie was ingesteld door het ministerie van Financiën en het ministerie van Economische Zaken. In het rapport dat door de commissie is uitgebracht, werd onder andere voorgesteld het ondernemersbegrip te beperken tot personen voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven, het vennootschapsbelastingtarief te verlagen en de vervangingsreserve te vervangen door een herinvesteringsreserve, welke voorstellen uiteindelijk ook zijn doorgevoerd.
Adviesrapporten kunnen zodanig dezelfde kant op wijzen dat een wetswijziging op handen lijkt. Een onderwerp waarover inmiddels door vele adviescommissies is geadviseerd is de fiscale behandeling van de eigen woning. In 2004 liet het OECD zich kritisch uit over het Nederlandse systeem inzake de hypotheekrenteaftrek.3 Nadien werd ook in rapportages van onder andere de Raad van Economische Adviseurs4, de Raad van State5, het Sociaal en Cultureel Planbureau6, de Europese Commissie7 en het Internationaal Monetair Fonds8 geconcludeerd dat de hypotheekrenteaftrek moet worden ingeperkt dan wel moet worden afgeschaft. VNO-NCW en MKB Nederland concluderen in een op 22 februari 2006 verschenen notitie dat de hypotheekrenteaftrek moet worden gehandhaafd.9 Op basis van deze inventarisatie lijkt een aanpassing in de fiscale behandeling van de eigen woning onontkoombaar. In deze fase is het echter nog volstrekt onduidelijk of, en zo ja, wanneer er een wetswijziging komt en wat de inhoud van die wetswijziging zal zijn. Dit wordt versterkt door de toezeggingen van politieke partijen in de verkiezingsperiode dat de hypotheek-renteaftrek voorlopig ongemoeid zal worden gelaten. Het geheel overziend ben ik van mening dat rapporten van publiekrechtelijke adviescommissies de voorzienbaarheid van wetswijzigingen in zeer beperkte mate beïnvloeden. Voor particulieren acht ik daarbij tevens van belang dat in de media aandacht wordt besteed aan het adviesrapport. Indien aan het verschijnen van een rapport van een publiekrechtelijke adviescommissie in de media geen aandacht wordt besteed (zie par. 5.6.6.5), leidt het verschijnen van een dergelijk rapport er naar mijn mening voor particulieren niet toe dat een wetswijziging in enige mate voorzienbaar wordt.
Gelet op de achtergrond van het door mij aangebracht onderscheid tussen particulieren en ondernemers/rechtspersonen, concludeer ik dat belastingplichtigen in de laatstgenoemde categorie naar aanleiding van het verschijnen van een adviesrapport van een publiekrechtelijk orgaan alert worden. Zij zullen namelijk vaker gebruikmaken van deskundigen, die geacht worden toegang te hebben tot meer bijzondere (niet-algemeen toegankelijke) informatiebronnen. Er kan evenwel niet worden verwacht dat belastingplichtigen die gebruikmaken van deskundigen hun beslissingen afstemmen op toekomstig recht. Daarom kan slechts voor deze groep belastingplichtigen worden gezegd dat een wetswijziging enigszins voorzienbaar is (voorzienbaarheidsfactor 1).