Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.9.5
I.3.9.5 Het correctief wetgevingsreferendum I
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285021:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 11 december 2001, Stb. 2001, 585.
In het hoofdlijnenakkoord van 16 mei 2003 stond het volgende, zie: Kamerstukken II 2002/03, 28637, nr. 19. p. 13): ‘Het oordeel van beide Kamers in tweede lezing met betrekking tot het correctief wetgevingsreferendum wordt afgewacht. Het wetsvoorstel tot intrekking van de tijdelijke referendumwet wordt ingetrokken, zodat de tijdelijke referendumwet zijn gelding blijft behouden tot de daarin opgenomen expiratiedatum (1 januari 2005). Het blijft mogelijk dat in gemeenten referenda worden gehouden.’
Handelingen II 2003/04, 85, p. 5481-5490.
Handelingen II 2003/04, 89, p. 5704.
Ten tijde van het kabinet-Paars II namen de Tweede Kamer en de Eerste Kamer in 2001 in eerste lezing een voorstel aan ter invoering van een correctief wetgevingsreferendum.1 Op 16 september 2002 diende de regering het voorstel in voor de tweede lezing.2 In paragraaf 14 van dit hoofdstuk beschrijf ik dat dit voorstel niet voor de verkiezingen van 22 januari was behandeld, waardoor een ‘tweede’ Tweede Kamer zich over het voorstel moest buigen. Na de verkiezingen van 2003 formeerden het CDA, de VVD en D66 het kabinet-Balkenende II, waarin het betreffende herzieningsvoorstel niet uitdrukkelijk in de plannen werd opgenomen.3 Dit voorstel sneuvelde in de tweede lezing in 2004, omdat de fracties van de coalitiepartijen (m.u.v. D66) het niet meer verdedigden.4 Een gekwalificeerde meerderheid bleek daarom onhaalbaar. Alleen de fracties van de PvdA, D66, GroenLinks, D66, LPF en de Groep-Lazrak stemden voor.5