Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.2.1.0
3.2.1.0 Introductie
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS976985:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat geldt voor het onderwijs, maar ook voor het provinciebestuur, zie: Van der Pot 1949 p. V-VI; anders: Andreae 1914, p. 1 (In 1798 eenheidsstaat).
J.H. Appelius, De staatsomwenteling van 1795 in haren aart, loop en gevolgen beschouwd, Leiden: Sijthoff 1801; Boekholt & De Booy 1987, p. 89, P.A.J. van den Berg, ‘Vaderlandsliefde, vrijheid en mensenrechten aan het eind van de achttiende eeuw. Jacob van Manen Adrz. (1752-1822) en de Staatsregeling van 1798’, in: Moorman van Kappen & Coppens (eds.) 2001, p. 35-71, W.E. Velema, Omstreden Oudheid, (oratie UvA), Amsterdam: Vossiuspers UvA 2010, p. 5 e.v., P.A.J. van den Berg, ’Demos en democratisering’, in: Wolffram (ed.) 2011 p. 7-31 en Grijzenhout e.a. (red.) 2013, p. 7-25.
Ibid., p. 57. Het eerste leerboek aardrijkskunde (Nieuw Voorschriftboekje) met de Staatsinrigting van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën verschijnt in 1680; vgl. Colenbrander 1908 en Rosendaal 2005. Bataafse (niet-Nederlandse) republiek is door de Nationale Vergadering ter onderscheiding van de Franse republiek als naam gekozen (De Jong 2018, p. 33).
E.J. Vles, Pieter Paulus (1753-1796), Patriot en staatsman, Amsterdam: De Bataafsche Leeuw 2004; vgl. E. van der Wall, ’Geen natie van atheïsten. Pieter Paulus (1753-1796) over godsdienst en mensenrechten’, Jaarboek van de Mij der Nederlandse letterkunde,1996, p. 45-58, F. Vletter, ’De Bataafse burgermacht als bolwerk der vrijheid’, Tijdschrift voor geschiedenis 2009, p. 492 e.v., J. Oddens, Pioniers in schaduwbeeld. Het eerste parlement van Nederland 1796-1798, Nijmegen: Vantilt 2012, Grijzenhout e.a. (red.) 2013, p. 138 en Elias & Schölvinck (eds.) 1991.
P. Paulus, Verhandeling over de vrage: In welken zin kunnen de menschen worden gezegd gelyk te zijn? En welke zyn de regten en pligten, die daaruit voordvloeien?, Haarlem: C. Plaat 1793; vgl. Vatebender 1795, M. Rutjes, Door gelijkheid gegrepen. Democratie, burgerschap en staat in Nederland 1795-1801, (diss. UvA), Nijmegen: Vantilt 2012 en Grijzenhout e.a. 2013, p. 138.
Artikel 21 Sr; vgl. C. Rogge, Geschiedenis der staatsregeling voor het Bataafsche volk, Amsterdam: Allart 1799, J.A. Bornewasser, ’De Nederlandse katholieken en hun negentiende eeuwse Vaderland’, in: Idem, Kerkelijk verleden in een wereldlijke context, Amsterdam: Van Soeren 1989, S.C. van Bijsterveld, Burger tussen religie, staat en markt, (oratie UvT Tilburg: Prisma Print TU 2012, p. 11, Grijzenhout e.a. (red.) 2013, p. 126, 132-133, 147, 151-152 en P. van Sasse van Ysselt, ‘De aprilbeweging en scheiding van kerk en staat’, in: D.P. van den Bosch (red.), De jaren van het Koninkrijk. Tien knooppunten, Den Haag: BZK 2014, p. 2.
Grijzenhout e.a. (red.) 2013, p. 127.
Vgl. Kossman 1979, Grijzenhout e.a. (red.) 2013, p. 126-127, Drop 1985, p. 175-176 en Idenburg 1960, p. 80 (corpus christianum: regelgeving ging uit van een geestelijk homogeen klimaat, lid van staat en kerk is één).
Ibid., p. 137 (Moreel burgerschap is geëvolueerd tot een verinnerlijkte vorm van vroomheid), p. 140 (De ideologie van de godsdienst als wezenlijk aspect van het burgerschap), p. 149, 152.
Ibid., p. 56, 66, 128, 151; M.W. van Boven e.a. (red), Pieter Vreede. Zijn levensloop, Hilversum: Verloren 1994 en Israël 1996, p. 1217.
Ibid., p. 56-57.
Ibid., p. 57; vgl. M. Rutjes, Door gelijkheid gegrepen. Democratie, burgerschap en staat in Nederland, Nijmegen: Vantilt 2012.
Ibid., p. 59,61.
Ibid., p. 61; vgl. Wouters & Visser 1926.
Van der Burg & Boels 1994.
Vgl. N.C.F. van Sas, De Bataafse terreur. De betekenis van 1798, Nijmegen: Vantilt 2011.
Van de Kasteele is de tweede voorzitter van 17 maart tot 1 april 1796 van de Nationale Vergadering. Een benoeming is voor twee weken. Stijl is een Friese afgevaardigde; vgl. P.C. Kop, Mens en burger. Een geschiedenis van de grondrechten, Zutphen: Walburg Pers 2009, p. 131, 135 e.v., Lipman 1832, Grijzenhout e.a. (red.) 2013, p. 49, 125 en J. de Jong, Democratie in kinderschoenen. Twee referenda over de eerste Nederlandse grondwet 1797-1798, Nijmegen: Vantilt 2018, p. 17, 45.
Ibid., p. 132 e.v.
J. de Jong 2018, p. 12-13, 17, 23.
2e Constitutiecommissie, NADH, Wetgevende Colleges, 1796-1810, inv. 567, fol .423; vgl. Grijzenhout e.a. (red.) 2013, p. 41,132.
R. Aerts, Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman, Amsterdam: Prometheus 2018, p. 14-15. Een tweede ‘zachte’ staatsgreep vindt in juni 1798 plaats; vgl. D. Boomsma, ‘Waarom patriottisme belangrijk is’, CDV Winter 2017, p. 116-118.
Bonaparte, Documents historiques, tome I, 78; vgl. Grijzenhout e.a. (red.) 2013, p. 53, 57, De Jong 2018, p. 53-54 en Stouten 1982.
Beoordeling van het ontwerp van constitutie voor het Bataefsche volk, door de nationale vergadering ter goed of afkeuring aen hetzelve volk voorgedragen, door eenige burgers, zijn de repraesentanten van het volk van Nederland, Leiden: Du Mortier 1797; Hemkes, 1844.
De Jong 2018, p. 50.
L. de Gou, De Staatsregeling van 1798. Bronnen voor de totstandkoming, 2 delen, Den Haag: Rijkscommissie voor Vaderlandse geschiedenis, 1988-1990 en Het Ontwerp van Constitutie van 1797, Den Haag: Nijhoff 1983; vgl. F. Grijzenhout, ´De Grondwet in beeld’, in: Van Sas & Te Velde (red.) 1998, p. 46-79, Roosendaal (red.) 2005, Kop 2009, p. 140, Israel 1996, p. 1239 en O. Moorman van Kappen & E.C. Coppens (red.) 2001.
W. Kamp, Patriotsche catechismus, der zedenleere, voor de burgeren van het Bataafsch Gemeene-best, Amsterdam: [s.n.] 1795; Colenbrander 1913.
C. Rogge, De regten van een mensch en burger en de pligten daaruit voortvloeijende voor de Vaderlandsche jeugd, Leyden: [s.n.] 1795; P.Th.F.M. Boekholt, ’De schoolstrijd van de katholieken’, in: T.J. van der Ploeg e.a. ( red.),2000, p. 21 en J.D. Imelman,´Scholenschemering’, in: M. Rietdijk (red.), Steeds minder leren, Utrecht: Uitg. IJzer 2005, p. 117-122.
Cornelis van Lennep is van 1 maart 1796 tot 1 september 1797 lid van de eerste Nationale Vergadering; Grijzenhout e.a. (red.) 2013, p. 293.
NADH, Wetgevende Colleges, 1796-1810, inv. 556, fol. 397-398; vgl. N.L. Dodde, Het Nederlandse onderwijs verandert. Ontwikkelingen sinds 1800, Muiderberg: Coutinho 1983.
Zie: IJ. van Hamelsveld, De zedelijke toestand der Nederlandsche Natie, op het einde der achttiende eeuw, Amsterdam: Johannes Allart 1791 en Israel 1996, p. 1223.
Vgl. H. Knippenberg & B. de Pater, De eenwording van Nederland, schaalvergroting en integratie sinds 1800, Nijmegen: SUN 1988 en N.C.F. van Sas, ‘Vaderlandsliefde, nationalisme en vaderlands gevoel in Nederland’ 1770-1813, TvG 1989, p. 471-495.
Lenders 1988, p. 33; vgl. M. Rietveld-Van Wingerden e.a. (VUA), ’Vrijheid van onderwijs en sociale cohesie in historisch perspectief’, Pedagogiek 2003, 2, p. 97-108.
Het jaar 1795 vormt in de noordelijke Nederlanden1 het begin van een nieuwe staatkundige periode.2 Het einde van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën als statenbond luidt de Bataafse Republiek als eenheidsstaat in.3 Op 1 maart 1796 opent de zitting van de Nationale Vergadering onder voorzitterschap van de Zeeuwse patriot Pieter Paulus4 die in zijn Verhandeling over de vrage: In welken zin kunnen de menschen worden gezegd gelyk te zijn? En welke zyn de regten en pligten, die daaruit voordvloeien? de verkiesbaarheid van iedere burger van elke gezindte tot alle ambten bepleit.5
Scheiding van Kerk en Staat 1796
In hetzelfde jaar is door de Nationale Vergadering na ampele beraadslagingen bij decreet van 5 augustus besloten tot de scheiding van Kerk en Staat die gecodificeerd is in de Staatsregeling van 1798.6
Staatsregeling van 1798
Bij de voorbereiding van de Staatsregeling van 1798 is in de Nationale Vergadering ampel gesproken over de relatie tussen godsdienst en samenleving in de vorm van een door de burgers te internaliseren bovenkerkelijke publieke moraal op een algemeen-christelijke grondslag.7 Godsdienst is in die tijd een uitgesproken bron van burgerdeugd.8 Vooruitlopend op de ontwerpen van de Staatsregeling lijkt het moreel burgerschap en de identificatie van de deugdzame mens en burger met de man van de godsdienst in de Bataafse samenleving en in de Nationale Vergadering in steen gehouwen te zijn.9
Programma van burgerschapsvorming
Het is de doopsgezinde journalist en patriot Pieter Vreede die in de Nationale Vergadering de vorming van ‘Constitutioneele Volkssocieteiten’ in de vorm van een Oudgriekse agora als marktplaats bepleit, waar de burgers over de publieke zaak kunnen debatteren.10 Men beseft terdege dat de vestiging van de politieke vrijheid niet vanzelf tot een herleving van de republikeinse deugd leidt. Daarom is er door de patriotten gepleit voor een programma van burgerschapsvorming. Immers ‘alleen met deugdzame burgers kan hun republikeinse experiment slagen’.11 Het pleidooi van de patriotten put uit de klassieke bronnen. De Bataafse vorming wil de burgers ‘de overtuiging bijbrengen dat de verdediging van de vrijheid het hoogste doel is’12 en dat de taak van het onderwijs is het bijbrengen van de republikeinse deugd.13 Hierdoor kunnen de vrije burgers hun ware bestemming verwerven.14
Ook is men begonnen aan de voorbereiding van een Staatsregeling. Reeds in de vroegste besprekingen over de scheiding van Kerk en Staat staan de codificatie van de rechten van de mens en burger en de regeling van het (volks)onderwijs centraal.15 Alvorens in te gaan op het onderwijs passeert eerst de wording van de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk (hierna: de Staatregeling van 1798).16
Commissie-Van de Kasteele/Stijl: Het Dikke Boek 1796
De commissie-Van de Kasteele/Stijl uit de Nationale Vergadering vervaardigt Het Plan van Constitutie voor het volk van Nederland, in de volksmond ‘Het Dikke Boek’.17 Het strijdpunt is of de rechten van de mens en de burger in de preambule moeten staan of in de Staatsregeling.18 Na de afwijzing van Het (federale) Plan van Constitutie in een referendum19 (1797) volgde een poging door de commissie-Uitenhage de Mist, maar ook deze bleef zonder resultaat.20
Het duurt Frankrijk te lang voor er een Staatsregeling is, waardoor begin 1798 de Unitarissen een staatsgreep plegen.21 Kort daarop legt de commissieOckerse22 een ontwerp-Staatsregeling voor aan de Nationale Vergadering23, waarin de beste burger van de staat erkend blijft als ‘de ware christen’. Een ontwerp-Staatsregeling is vervolgens bij Frans dictaat na een referendum in 179824 tot Staatsregeling verheven en op 4 mei 1798 in werking getreden.25
Algemeen christendom grondslag volksschool/kennis van de staatsregeling
Het algemeen christendom met de zedenkundige beginselen26 vormt de grondslag van het volksonderwijs en is de bindende factor met verplichte leerstof als ‘de eerste kennis van de Staatsregeling’.27 In 1796 is door de Nationale Vergadering besloten aan de commissie-Van Lennep28, ter voorbereiding van het onderwijsartikel in de Staatsregeling, het ontwerpen van een nationaal onderwijsstelsel op te dragen.29 Het was het doel van de volksschool om (a) door lezen, schrijven, taal, rekenen en andere vaardigheden ‘goede burgers’ te vormen30 en deze (b) toe te rusten met voldoende vaderlandsliefde voor de Bataafse eenheidsstaat.31 De commissie vraagt in 1796 de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen om nader advies over de oprichting van een volksschool voor de ‘minvermogende burgers’.32