Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.2.2.3:9.3.2.2.3 Art. 5:41 Awb
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.2.2.3
9.3.2.2.3 Art. 5:41 Awb
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940419:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent de Vierde Tranche Awb nader paragraaf 3.7, en omtrent art. 5:41 Awb in het bijzonder paragraaf 3.7.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 5:41 Awb is bepaald dat geen boete kan worden opgelegd voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.1 Naar mijn mening volgt uit deze formulering dat voor alle bestuurlijke boetes zonder schuldverband toch een zeker schuldverband moet worden ingelezen in de betreffende boetebepaling. In feite vult art. 5:41 Awb die bepalingen op dit punt aan. Het behoeft geen betoog, dat zulks in overeenstemming is met mijn opvatting over de arrest Salabiaku. Uit de wetsgeschiedenis van art. 5:41 Awb komt echter een geheel ander beeld naar voren. De wetgever heeft juist duidelijk willen maken, dat het bestuursorgaan bij schuldneutrale delicten de verwijtbaarheid niet hoeft te bewijzen: de verwijtbaarheid mag worden voorondersteld. De wetgever deelt de hiervoor (in paragraaf 9.3.2.2.2) aangehaalde opvatting dat de onschuldpresumptie louter betrekking heeft op het daderschap. Volgens de wetgever heeft de boeteling dan ook zowel de stelplicht als de bewijslast van AVAS.2