Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.2.1
9.3.2.1 Verwijtbaarheid als element van de delictsomschrijving: vergrijpboetes
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940793:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 juli 1988, BNB 1988/270, r.o. 4.6, waarover nader in paragraaf 3.5.4.2. Zie voorts het nadrukkelijk gemaakte onderscheid tussen beide elementen in HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207.
In deze zin: Feteris 2002, p. 388.
Zie daarover nader paragraaf 13.3.
Zie omtrent de vraag welke componenten dat precies zijn paragraaf 6.4.
Zie HR 20 juni 2014, V-N 2014/34.5, BNB 2014/201 en de daaropvolgende verwijzingsuitspraak Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6 (bewijs niet geleverd), m.n. r.o. 5.7 en 5.9. Zie voorts Hof Amsterdam 7 juli 2011, V-N 2011/44.4, NTFR 2011/1885, waarover nader in paragraaf 12.2.4 en Hof Arnhem-Leeuwarden 19 november 2019, V-N 2020/10.18.5, r.o. 4.10 en 4.11.
Zie omtrent de inhoud van het opzetvereiste nader paragraaf 6.4.3.
Zie bijvoorbeeld HR 30 september 2011, BNB 2012/13 (in het bijzonder de noot van Van Eijsden, die ingaat op de dubbele eis voor voorwaardelijk opzet), alsmede (inzake de kwade trouw bij navordering) HR 31 mei 2013, V-N 2013/28.6, FED 2013/71.
Zie omtrent de inhoud van het begrip grove schuld nader paragraaf 6.4.4.
Zie paragraaf 9.3.3 hierna voor de verschillende soorten elementen waarom het gaat.
Zie HR 14 februari 2020, V-N 2020/10.4, BNB 2020/58, r.o. 3.3.2. Zie voor de afloop na verwijzing Hof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2021, V-N 2021/17.24.24, m.n. r.o. 4.9.
Zie voor een illustratie hiervan de bewijsoordelen van Hof Den Haag in de zaken die hebben geleid tot de Conclusies van A-G Pauwels van 7 juli 2023, V-N 2023/36.24 en V-N 2023/36.25.
Zie daarover nader paragraaf 9.3.3.3.2 onder ‘Negatieve heffingscomponenten en tegenbewijs tegen wetsficties’ (slot).
Zie over de (voor)vraag of het kale beboetbare feit dan wel is begaan nader paragraaf 9.3.3.2.1.
In deze zin Rb Gelderland 25 oktober 2021, V-N 2021/55.21, r.o. 14-16. Zie daarover ook paragraaf 9.3.3.2.1.
Het object waarop de opzet moet zijn gericht, is niet hetzelfde als het object van de kwade trouw. Bovendien geldt in de boetesfeer de zware bewijsgradatie ‘beyond reasonable doubt’ in plaats van aannemelijk maken. Zie over deze verschillen nader paragraaf 13.3.5.1.1.
Daar komt bij dat de betekenis van dit begrip wezenlijk anders is. Zie daarover nader paragraaf 16.5.3.3.
In de Hofuitspraak die aan het arrest HR 25 september 2020, V-N 2020/50.16.4 (art. 81 Wet RO) voorafging (van Hof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2019), nam de belastingplichtige een dergelijk standpunt in. Het Hof vatte dit standpunt – volgens mij – echter anders op, zodat een oordeel uitbleef (zie r.o. 4.2 e.v.).
Zie voor een voorbeeld r.o. 4.5-4.6 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 29 mei 2020, V-N 2020/26.24, BNB 2020/123. Vgl. ook paragraaf 9.3.3.3.2.
Aldus ook Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 27 en de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof ’s-Hertogenbosch 31 december 2020, V-N 2021/17.22.
Zie het persbericht van de Vereniging van Hogere ambtenaren bij het Ministerie van Financiën van 16 oktober 2013 (1873), waarin wordt opgemerkt: ‘Echte fraude (opzet) moet (…) door de fiscus bewezen worden. Dat bewijs leveren is uitermate arbeidsintensief, omslachtig en moeilijk. De bewijsbare fraude is slechts een uiterst gering deel van het aantal onjuiste aangiften.’.
HR 3 februari 2023, V-N 2023/8.13, BNB 2023/48, r.o. 4.2.2, HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.22, r.o. 4.2.2.
Zie HR 7 september 2021 (strafkamer), NJ 2022/77, r.o. 2.3.3 en HR 25 maart 2003 (strafkamer), NJ 2003/552.
Kenmerkend voor vergrijpboetes is dat de vereiste schuldgradatie is opgenomen in de delictsomschrijving. De Hoge Raad heeft reeds in BNB 1988/270 uitdrukkelijk bepaald dat de inspecteur bij vergrijpboetes zowel het begaan van het kale beboetbare feit als de vereiste schuldgradatie moet bewijzen.1 De inspecteur moet dus steeds ook de aanwezigheid van opzet of grove schuld bewijzen,2 en wel ‘beyond reasonable doubt’.3
Ook inhoudelijk worden aan het bewijs van de mate van verwijtbaarheid strenge eisen gesteld: de inspecteur moet alle juridisch relevante componenten van de verweten opzet of grove schuld bewijzen.4 Een te summiere motivering vindt op dit punt geen genade bij de Hoge Raad.5 Het (voorwaardelijk) opzet-verwijt valt bijvoorbeeld in wezen uiteen in een tweetal cumulatieve vereisten, te weten de wetens-component (was de boeteling zich bewust van ten minste de aanmerkelijke kans?) en de willens-component (nam hij die kans ten minste op de koop toe?).6 Beide componenten moeten afzonderlijk worden bewezen op straffe van verval van de boete.7 Iets vergelijkbaars geldt voor de gradatie grove schuld: daarbij zal zowel de culpoze aard van het verwijt als de vereiste ernst ervan voldoende uit de verf moeten komen.8 Wel kan de inspecteur uiteraard voor meerdere ankers gaan liggen (door primair opzet en subsidiair grove schuld te stellen), maar hij zal dan voor elk van die gradaties afzonderlijk voldoende specifiek bewijs moeten leveren.
Ook dient de inspecteur steeds het juiste object van de opzet of grove schuld voor ogen te houden: waarop moet die opzet of grove schuld blijkens de delictsomschrijving precies gericht zijn geweest?9 Zo is van belang dat de omstandigheid dat de belastingplichtige zich – bijvoorbeeld door aan het indienen van de aangifte voorafgaande correspondentie – bewust was van de (al dan niet aanmerkelijke) kans dat de inspecteur zijn standpunt niet zal delen en die kans ook bewust aanvaardt, nog niet betekent dat de belastingplichtige daarmee ook welbewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat te weinig belasting wordt geheven. Het standpunt van de inspecteur hoeft immers niet per se juist te zijn.10 Evenzo levert het hebben van (voorwaardelijk) opzet om belasting te ontwijken niet het bewijs op dat er (voorwaardelijk) opzet bestond op het ontduiken van belasting.11
Iets dergelijks geldt naar mijn mening ook als de belastingplichtige bewijsproblemen heeft, bijvoorbeeld ten aanzien van een bepaalde aftrekpost. Het enkele feit dat de belastingplichtige niet aannemelijk kan maken dat hij recht heeft op die aftrekpost, betekent nog niet dat hij opzettelijk of grofschuldig een onjuiste aangifte heeft gedaan.12 De boeteling kan ook tegen dergelijke (tegen)bewijsproblemen aanlopen ten aanzien van het bewijs van het kale beboetbare feit zelf. In gevallen waarin dat kale beboetbare feit een nalaten inhoudt, bijvoorbeeld het niet doen van aangifte of een suppletie, is het mogelijk dat de boeteling stelt dat hij de aangifte of de suppletie wél heeft verzonden, terwijl de inspecteur niets heeft ontvangen.13 Het enkele feit dat de boeteling de verzending niet kan bewijzen, levert niet het bewijs van de voor opzet vereiste bewustheid van de nalatigheid (het niet doen van de aangifte of suppletie) op.14
De inspecteur mag er gelet op het voorgaande niet van uit kan gaan dat, als hij in de sfeer van de heffing aannemelijk heeft gemaakt dat de belastingplichtige te kwader trouw was (in de zin van art. 16 lid 1 AWR), hij daarmee de aanwezigheid van (voorwaardelijk) opzet in de boetesfeer heeft bewezen.15 Iets dergelijks geldt ook voor het bewijs van de geobjectiveerde bewustheid in het kader van het niet doen van de vereiste aangifte.16
In bijzondere situaties kan ook de inspecteur tegen een bewijsprobleem aanlopen, bijvoorbeeld in het kader van de redelijke schatting (die volgt op de omkering van de bewijslast). Dit bewijsprobleem kan aan de orde komen als de belastingplichtige om procestechnische redenen (bijvoorbeeld omdat nog onduidelijk is of het bewijs waar de inspecteur zich op baseert wellicht onrechtmatig is verkregen) bewust geen aangifte doet (of bewust niet aan zijn informatieverplichtingen voldoet). Als de belastingplichtige op dat moment al kan zien aankomen dat de inspecteur hem een aanslag zal opleggen die – vanwege de redelijke schatting – hoger zal zijn dan zijn materiële belastingschuld, zou de belastingplichtige kunnen verdedigen dat hij geen opzet heeft dat is gericht op een te lage heffing.17
Soortgelijke problemen kunnen ontstaan als tussen partijen op zichzelf wel vaststaat dat er tot een bepaald bedrag te weinig is geheven, maar er geen duidelijkheid bestaat over de precieze opbouw van dat bedrag (bijvoorbeeld bij aansluitverschillen in de omzetbelasting). Als er geen opheldering komt over de oorzaken van de te lage heffing, kan de inspecteur het kale beboetbare feit wel bewijzen, maar het leggen van een schuldverband zal onmogelijk zijn.18
Het bewijs van opzet of grove schuld is doorgaans dan ook niet eenvoudig te leveren.19 De inspecteur heeft in feite een diepgaande kennis nodig van de feiten en omstandigheden waarin de boeteling verkeerde op het moment dat hij het kale beboetbare feit beging. Voor het opzetverwijt is zelfs noodzakelijk dat de inspecteur in het hoofd van de boeteling kan kijken, aangezien hij zowel de bewustheid (‘wetens’) als de intentie (‘willens’) moet bewijzen.20 Op dit punt heeft de Hoge Raad wel een verzachting aangebracht: bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de boeteling dat gevolg heeft gewild of ten minste de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.21 Met andere woorden: dat er aan de binnenkant daadwerkelijk (voorwaardelijk) opzet aanwezig was, mag – net als in het strafrecht het geval is22 – soms worden afgeleid uit de buitenkant (de ‘uiterlijke verschijningsvorm’).