Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.2.1
4.2.1 Enge of ruime interpretatie en ontwikkeling van strafvorderlijke regels
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS615529:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Grapperhaus & Nieuwenhuys 1990, p. 769.
Vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5593, NJ 2010/77, waarin werd geoordeeld dat het na zijn aanhouding door de medeverdachte volvoeren van het voordien al bij hem bestaande plan een koffer met cocaïne aan verdachte over te dragen geen pseudo-dienstverlening oplevert in de zin van art. 126ij Sv. Het verweer dat de aan de toepassing van deze bijzondere opsporingsmethode gestelde voorwaarden niet was voldaan stuitte daarop af. Zie ook HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6722, NJ 2009/427, waarin het verweer afstuitte op de uitleg van art. 126gg Sv.
Vgl. Knigge & Kwakman 2001, p. 207.
Zie bijv. Baar 2014, die i.v.m. binnentreden op basis van anonieme tips ervoor pleit ‘dat het begrip “redelijk vermoeden van schuld” weer wordt ingesnoerd’.
Een omgekeerd effect treedt op bij een ruime of enge interpretatie van regels die rechten verlenen aan de verdachte. Prakken 1999, p. 245, noemt een enge interpretatie van grondrechten een van de belangrijkste mechanismen waarmee de bewijsuitsluitingsregel in de Nederlandse rechtspraak van zijn tanden wordt ontdaan. Als tweede mechanisme wijst zij in dit verband op het Schutznormvereiste.
Het zoeken naar evenwicht – waarvan de wetgever van 1926 sprak – tussen het faciliteren van een effectieve vervolging enerzijds en bescherming van individuele rechten anderzijds, is een doorlopend proces. De strafrechter levert daaraan tegenwoordig een belangrijke bijdrage door zijn interpretatie in concrete gevallen van geschreven strafvorderlijke regels en door de ontwikkeling van ongeschreven regels.
Bij het vaststellen of sprake is van een vormverzuim – een schending van een (on)geschreven regel van strafprocesrecht – speelt een feitelijke en een juridische component een rol.1 Aannemelijk zal immers moeten worden dat zich bepaalde feiten hebben voorgedaan en die feiten moeten tot het juridische oordeel leiden dat van een vormverzuim sprake is.2 Daarbij is de precieze interpretatie door de rechter van de desbetreffende regels vaak doorslaggevend, omdat zij in concrete gevallen het verschil kan maken of ‘net wel’ of ‘net niet’ sprake is van onrechtmatig handelen. Daarmee wordt tevens bepaald wat ‘net wel’ en ‘net niet’ binnen een onderzoeksbevoegdheid valt en dus hoe ruim de bescherming is die in de praktijk aan de daarbij betrokken grondrechten wordt geboden.3 Als voorbeeld kan hierbij worden gedacht aan een belangrijk begrip als ‘redelijk vermoeden van schuld’ in de zin van art. 27 Sv of aan de termen ‘dringende noodzakelijkheid’ in art. 55a Sv. Worden dergelijke begrippen ruim geïnterpreteerd, met dien verstande dat een redelijk vermoeden of dringende noodzakelijkheid snel worden aangenomen, dan kunnen dwangmiddelen eerder worden toegepast.4 Ruime interpretatie van regels die bevoegdheden verlenen aan politie en OM resulteren in de praktijk in beperking van individuele rechten, terwijl van een enge interpretatie van dergelijke regels juist een rechtsbeschermend effect uitgaat. 5
De ruimte voor rechterlijke interpretatie verschilt van geval tot geval en is onder meer afhankelijk van het soort regel en de formulering daarvan. Anders dan bij de voormelde open normen met formuleringen als ‘dringende noodzakelijkheid’ en ‘redelijk vermoeden’, leent bijvoorbeeld de gesloten norm van art. 59a Sv dat de verdachte ‘uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur vanaf het tijdstip van de aanhouding voor de RC wordt geleid’ zich niet voor interpretatie.
4.2.1.1 Wetgeving: toenemende ruimte voor de rechter4.2.1.2 Toetsing rechtmatigheid wettelijk niet geregelde opsporingsmethoden4.2.1.3 Interpretatie EVRM4.2.1.4 Beginselen van een behoorlijke procesorde