Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.1:2.1 Inleiding
Stille getuigen 2015/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 6 lid 3 sub d evrm en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het ehrm hebben betekenis voor het Nederlandse strafrecht. In dit hoofdstuk zal ik eerst duidelijk maken op welke manier het Straatsburgse recht doorwerkt in de Nederlandse rechtsorde. (§ 2) Vervolgens zal ik beschrijven welke opvatting in Nederland wordt gehuldigd met betrekking tot het gebruik van niet ter zitting afgelegde getuigenverklaringen voor het bewijs (§ 3) en wat naar Nederlands recht wordt verstaan onder de begrippen ‘getuige’ (§ 4) en ‘verklaring’ (§ 5). In § 6 zal ik uiteenzetten op welke wijze de Hoge Raad klachten met betrekking tot het ondervragingsrecht beoordeelt. Ten slotte zal ik aandacht besteden aan de vraag of de Nederlandse regels met betrekking tot het ondervragingsrecht kunnen worden gekwalificeerd als bewijstoelatingsregels of als bewijsminimumregels (§ 7) en aan de verhouding tussen het ondervragingsrecht en de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv (§ 8).