Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.3
2.3 Het gebruik van op schrift gestelde getuigenverklaringen voor het bewijs
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld artikel 114 e.v. van de Criminal Justice Act 2003.
Een cross-examination is de ondervraging van een getuige (of een andere persoon) tijdens de zitting, nadat die getuige is ondervraagd door een andere procespartij. Zie Keane 2008, p. 189. Er kan worden gediscussieerd over de vraag of verklaringen die ter zitting worden afgelegd, betrouwbaarder zijn. In § 3 van hoofdstuk 1 is enige aandacht besteed aan deze vraag. Zie over de vraag of een getuige volgens het EHRM ter zitting moet kunnen worden ondervraagd § 2.2.1 van hoofdstuk 4.
HR 20 december 1926, NJ 1927, p. 85-91. Zie voor beschouwingen hierover onder andere Taverne 1926, Pompe 1959, p. 46, Corstens 1988, Rozemond 1998, p. 111-126, Rozemond 1999, Nijboer 1999 en Wagenaar 1999.
HR 20 december 1926, NJ 1927, 85. Zie voor de gebezigde terminologie: Nijboer 2011, p. 92-95 en Rozemond 1998, p. 112.
Nijboer 2011, p. 93. Rozemond 1998, p. 120-122 meent dat hier geen sprake is van een de-auditu-verklaring, maar van een schriftelijke verklaring van de getuige zelf. Een argument hiervoor is dat de getuige de verklaring ondertekent en daarmee tot de zijne maakt.
Nijboer 2011 onderscheidt veel meer beperkingen. Deze hebben echter betrekking op specifieke situaties. Ik beperk mij hier tot algemeen geldende beperkingen.
Artikel 359 lid 2 Sv verplicht de rechter te motiveren waarom hij afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie. Op grond hiervan is de rechter gehouden om in te gaan op de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring wanneer deze door de verdediging is betwist. Zie over de wijze waarop de rechter de betrouwbaarheid zou kunnen beoordelen Witteveen 2012.
Zie echter HR 26 maart 2002, NJ 2002, 356. In deze zaak had het hof de verdachte vrijgesproken, omdat het een belangrijke getuige niet zelf had kunnen ondervragen. Volgens de Hoge Raad getuigde dat niet van een onjuiste rechtsopvatting.
EHRM 20 november 1989, appl.no. 11454/85 (Kostovski/Nederland), § 41. In HR 15 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3260 had de verdediging betoogd dat het gebruik van een getuigenverklaring onrechtmatig was, omdat niet was voldaan aan de EHRM-regel dat bewijsmateriaal ter zitting moet worden geproduceerd. De Hoge Raad verwierp de klacht.
Het komt sporadisch wel voor dat de officier van justitie of rechter uit eigen beweging getuigen doet oproepen.
Nijboer 2011, p. 108-115; Spronken 1991, p. 252.
In sommige staten, zoals het Verenigd Koninkrijk, geldt als uitgangspunt dat getuigenverklaringen ter zitting moeten worden afgelegd. Is dat niet gebeurd, dan is naar Brits recht sprake van hearsay evidence, dat in beginsel niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Alleen in bijzondere gevallen – bijvoorbeeld wanneer een getuige die eerder bij de politie een verklaring heeft afgelegd, is overleden – kan dat anders zijn.1 De reden hiervoor moet met name worden gezocht in de verhoogde kans op onbetrouwbaarheid. Getuigen kunnen bewust of onbewust onjuiste verklaringen afleggen en wanneer hun verklaringen door een ander worden overgebracht, bestaat de kans dat de inhoud van de overgebrachte verklaring afwijkt van de werkelijk afgelegde verklaring. Het uitgangspunt is daarom dat de getuige ter zitting verklaart en ook kan worden onderworpen aan een cross-examination.2
Hoewel in Nederland veel discussie heeft plaatsgevonden over deauditu- verklaringen – met name over de vraag of de wetgever de vrijwel onbeperkte toelating daarvan wel heeft beoogd –, is het sinds het De-audituarrest uit 1926 duidelijk dat de-auditu-verklaringen voor het bewijs mogen worden gebruikt.3 Het is toegestaan om ter onderbouwing van een bewezenverklaring gebruik te maken van mondeling tijdens de zitting afgelegde verklaringen (overbrengende verklaring) waarin de getuige mededeelt wat hij van een ander heeft vernomen (overgebrachte verklaring).4 Ook is het toegelaten om voor het bewijs gebruik te maken van de verklaring van een getuige die tijdens het voorbereidend onderzoek is afgelegd en op schrift is gesteld door een ander dan de getuige zelf. Meestal betreft het een procesverbaal van een verhoor door de politie of een rechter-commissaris. Er wordt in het laatstgenoemde geval wel gesproken van een schriftelijke de-auditu-verklaring.5
Schriftelijke getuigenverklaringen mogen in Nederlandse strafzaken weliswaar als bewijsmiddel dienen, maar daaraan worden wel twee beperkingen gesteld.6 In de eerste plaats brengt het formele onmiddellijkheidsbeginsel namelijk met zich dat de schriftelijke getuigenverklaring door de rechter aan de orde moet zijn gesteld tijdens het onderzoek ter terechtzitting (art. 301 lid 4 Sv). In de tweede plaats overwoog de Hoge Raad in het De-audituarrest ‘dat verklaringen van hooren zeggen in vele gevallen slechts van zeer betrekkelijke waarde zullen zijn en dus met de uiterste behoedzaamheid moeten worden beschouwd’. Deze eis van uiterste behoedzaamheid lijkt in de praktijk echter vooral een rol te spelen wanneer reden bestaat om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring.7
Niet alleen is het toegestaan om een tijdens het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te gebruiken, maar het is ook de normale gang van zaken. In de Nederlandse strafrechtspraktijk komt het relatief weinig voor dat een getuige tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn verklaring aflegt. Deze praktijk maakt duidelijk dat het Nederlandse strafprocesrecht weinig waarde hecht aan het beginsel van materiële onmiddellijkheid, dat inhoudt dat de rechter kennis behoort te nemen van de meest directe bron van het bewijs.8 In hoofdstuk 1 is aan de orde gekomen dat dit vanuit Straatsburgs perspectief niet problematisch is. Weliswaar heeft het ehrm een voorkeur voor ter zitting afgelegde verklaringen, maar zolang de rechten van de verdediging worden gerespecteerd, mogen ook elders dan ter zitting afgelegde verklaringen voor het bewijs worden gebruikt.9
Vanwege de bloeiende praktijk van het gebruik van schriftelijke deauditu- verklaringen, is de betekenis van het ondervragingsrecht voor het Nederlandse strafrecht vrij groot. Wanneer getuigenverklaringen die tijdens het voorbereidend onderzoek zijn afgelegd voor het bewijs mogen worden gebruikt, zal de verdediging die de betrouwbaarheid van die verklaringen wenst te onderzoeken, steeds expliciet een verzoek moeten doen om de getuige ter terechtzitting of bij de rechter-commissaris te mogen ondervragen. De getuige verschijnt immers niet automatisch tijdens de zitting.10 Wordt het getuigenverzoek afgewezen en betreft het een belangrijke getuige, dan zal het ondervragingsrecht mogelijk geschonden worden wanneer de verdachte wordt veroordeeld. Er kan dan ook worden gesteld dat de Straatsburgse jurisprudentie een beperking heeft gesteld aan het gebruik van schriftelijke de-auditu-verklaringen voor het bewijs.11