Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.8
2.8 Bewijstoelatingsregels of bewijsminimumregels?
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Bewijsuitsluiting is niet het enige mogelijke gevolg dat de rechter kan verbinden aan onrechtmatig verkregen bewijs. Zie artikel 359a Sv.
Zie daarover De Jong 1981 en Boksem 1996.
Nijboer 2011, p. 77; De Wilde 2008, p. 272-273. Anders: de conclusie van AG Jörg bij HR 21 november 2000, NJ 2001, 48. De Hoge Raad casseerde in deze zaak op een ander punt en heeft zich dus niet uitgesproken over deze kwestie.
Zie bijvoorbeeld Nijboer 2011, p. 40 (noot 153) en Rozemond 2002.
In het enige mij bekende geval waarin toepassing van artikel 344 lid 1, 5° Sv leidde tot onbruikbaarheid van het geschrift, was in het geheel geen onafhankelijk ander bewijsmateriaal beschikbaar. Zie HR 22 april 2008, NJ 2008, 265.
In het enige mij bekende geval waarin toepassing van artikel 344 lid 1, 5° Sv leidde tot onbruikbaarheid van het geschrift, was in het geheel geen onafhankelijk ander bewijsmateriaal beschikbaar. Zie HR 22 april 2008, NJ 2008, 265.
HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427, r.o. 6.3.3 onder i en ii.
HR 14 april 1998, NJ 1999, 73, r.o. 5.4.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 119. Blijkens HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427 heeft de Hoge Raad de intentie gehad om de betekenis van de EHRM-jurisprudentie voor het Nederlandse recht vast te stellen. Uit de verwijzing naar twee EHRM-arresten in HR 14 april 1998, NJ 1999, 73 blijkt dat het uitgangspunt was dat de EHRM-jurisprudentie zou worden gevolgd.
Hier kan de vergelijking worden gemaakt met artikel 344a Sv. In antwoord op vragen van Tweede Kamerleden over het karakter van artikel 344a lid 3 Sv antwoordde de Minister van Justitie ten tijde van haar totstandkoming dat deze bepaling een bewijsminimumvoorschrift bevat. Zie Kamerstukken II 1992/93, 22 483, nr. 8, p. 3. In Kamerstukken II 1992/93, 22 483, nr. 6, p. 19 schreef de minister: ‘Door het stellen van de extra voorwaarden onder a en b, wordt het algemene bewijsminimumvoorschrift van art. 344 a aangescherpt.’ Volgens onderdeel 2 van de noot van Borgers bij HR 17 april 2012, NJ 2012, 413 en Corstens/Borgers 2014, p. 794 verenigt artikel 344a lid 3 Sv een bewijstoelatingsregel en een bewijsminimumregel.
Algemeen
Een bewijstoelatingsregel is een regel waarvan de toepassing tot gevolg kan hebben dat bepaald bewijsmateriaal niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan onbetrouwbaar bewijs, bepaalde gevallen van onrechtmatig verkregen bewijs1 of bewijsmateriaal dat niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet om als wettig bewijsmiddel te mogen worden aangemerkt. Wanneer bewijsmateriaal niet wordt toegelaten om aan het bewijs mee te werken, heeft dat niet in alle gevallen tot gevolg dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Dat hangt immers af van het overige beschikbare bewijsmateriaal. Is er voldoende ander bewijsmateriaal voorhanden, dan zal de verdachte kunnen worden veroordeeld. Alleen als dat niet het geval is, zal hij moeten worden vrijgesproken.
Hier komen de bewijsminimumregels in beeld. De bewijsminimumregels bepalen of het toegelaten bewijsmateriaal voldoende is voor een bewezenverklaring. Is dat niet het geval, dan zal de verdachte moeten worden vrijgesproken. Hier kan nog een onderscheid worden gemaakt tussen twee verschillende gevallen. In de eerste plaats zal voor ieder onderdeel van de gewenste bewezenverklaring een bewijsmiddel moeten kunnen worden aangewezen waaruit dat onderdeel direct of indirect kan worden afgeleid. Uiteraard zal van dat onderdeel moeten worden vrijgesproken wanneer er onvoldoende bewijs voor bestaat. In veel gevallen zal dan ook van de hele tenlastelegging moeten worden vrijgesproken, omdat het een essentieel onderdeel van de tenlastelegging betreft.2 In de tweede plaats wordt een minimale hoeveelheid bewijsmateriaal voor de bewezenverklaring als geheel vereist. Als uitgangspunt geldt dat voor iedere bewezenverklaring minimaal twee bewijsgronden beschikbaar zijn.3 Voor getuigenverklaringen is deze regel neergelegd in artikel 342 lid 2 Sv. Alleen bij heterdaad-processen-verbaal van opsporingsambtenaren kan worden volstaan met één enkele getuigenverklaring (art. 344 lid 2 Sv). Bij getuigenverklaringen gaat het echter niet alleen om de hoeveelheid ander bewijsmateriaal, maar ook om de kwaliteit van dat andere bewijsmateriaal. Artikel 344a lid 1 Sv maakt dat duidelijk voor anonieme getuigenverklaringen: hoeveel getuigenverklaringen er ook zijn, als het bewijs uitsluitend of in beslissende mate bestaat uit anonieme getuigenverklaringen, mag de rechter de verdachte niet veroordelen.
Het is niet altijd even helder of een bepaalde regel als bewijstoelatingsregel of als bewijsminimumregel moet worden opgevat. Er wordt bijvoorbeeld wel betoogd dat artikel 344 lid 1, 5° Sv een bewijsminimumregel bevat.4 Hierin is bepaald dat ‘alle andere geschriften’ voor het bewijs kunnen worden gebruikt, ‘doch deze kunnen alleen gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen’. Uit de formulering van deze regel kan worden afgeleid dat het, theoretisch benaderd, een bewijstoelatingsregel betreft. Praktisch gezien komt de regel echter dicht in de buurt van een bewijsminimumregel. In het zeldzame geval dat onvoldoende inhoudelijk verband met een ander bewijsmiddel wordt vastgesteld, zal de verdachte namelijk al snel moeten worden vrijgesproken, omdat onvoldoende bewijs voor het ten laste gelegde feit overblijft wanneer het desbetreffende geschrift niet aan het bewijs mag meewerken.5
De aard van de regels over het ondervragingsrecht
Kunnen de regels van NJ 2013,6worden aangemerkt als bewijstoelatingsregels of als bewijsminimumregels? In het arrest Grenzen getuigenbewijs overwoog de Hoge Raad dat het gebruik voor het bewijs van een verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige niet strijdig is met artikel 6 lid 3 sub d evrm wanneer er voldoende steunbewijs is voor de getuigenverklaring.7 In NJ 1999, 73 overwoog de Hoge Raad: ‘Als die betrokkenheid dus in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, staat art. 6 evrm niet in de weg aan het gebruik tot het bewijs van zo’n – de verdachte belastende – verklaring.’8 In beide arresten staat het gebruik van een getuigenverklaring voor het bewijs centraal. De formuleringen in deze arresten komen daarom het meest in de buurt van een bewijstoelatingsregel.
De vraag of de getuigenverklaring niet voor het bewijs had mogen worden gebruikt (bewijstoelatingsregel) en de vraag of onvoldoende bewijsmateriaal bestond om de bewezenverklaring op te baseren (bewijsminimumregel), zijn bij het ondervragingsrecht zo sterk met elkaar verweven, dat zij hetzelfde gevolg bewerkstelligen: vrijspraak. Dat komt doordat het gewicht van de getuigenverklaring in de regel is opgenomen. In de formulering door de Hoge Raad blijkt dit uit de overweging met betrekking tot steunbewijs. De formulering in de ehrm-jurisprudentie, die model heeft gestaan voor de overwegingen van de Hoge Raad, is overigens duidelijker: ‘when a conviction is based solely or to a decisive degree on depositions that have been made by a person whom the accused has had no opportunity to examine or to have examined, whether during the investigation or at the trial, the rights of the defence may be restricted to an extent that is incompatible with the guarantees provided by Article 6’.9 Deze formulering duidt sterker op een bewijsminimumregel.10