Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.4:2.4 Doel van het ondervragingsrecht
Stille getuigen 2015/2.4
2.4 Doel van het ondervragingsrecht
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 juni 1983, NJ 1983, 798, r.o. 4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad heeft zich zelden uitgelaten over het doel van het ondervragingsrecht. In een arrest met betrekking tot het beletten van antwoorden overwoog hij:
‘De bevoegdheid van de verdachte en zijn raadsman tot het stellen van vragen aan een getuige, als neergelegd in het derde lid van art. 284, het eerste lid van art. 285 en art. 286 Sv, in verbinding met het eerste lid van art. 331 Sv, is mede toegekend om ten voordele van de verdachte een vermoeden te kunnen doen ontstaan voor het bestaan van voor de beslissing van de zaak ter zake dienende feiten en omstandigheden waaromtrent zonder het stellen van die vragen en het verkrijgen van antwoorden daarop (nog) geen grondslag aanwezig zou zijn.’1
Het gebruik van het woord ‘mede’ veronderstelt dat het stellen van vragen door de verdediging ook andere doelen kan dienen. Mogelijk heeft de Hoge Raad hier gedoeld op de situatie dat bepaalde feiten of omstandigheden reeds bekend zijn, maar de antwoorden van de getuige voor de bewijswaardering wel van belang kunnen zijn. Het door de Hoge Raad nogal ingewikkeld geformuleerde doel van het stellen van vragen komt overeen met het materiële doel van het ondervragingsrecht dat uit de ehrm-jurisprudentie kan worden afgeleid. Volgens het ehrm heeft het ondervragingsrecht ook een formeel doel: het bewerkstelligen van equality of arms. Overwegingen daaromtrent heb ik in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet aangetroffen.