Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.6
2.6 Het begrip ‘verklaring’
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145, r.o. 3.3.1.
Een ander voorbeeld is de dagboekaantekening die in HR 6 maart 2012, NJ 2012, 251 voor het bewijs was gebruikt. In die zaak stond het ondervragingsrecht overigens niet centraal en had de getuige tijdens een studioverhoor een uitvoerige verklaring afgelegd.
Zie § 3.3.3 van hoofdstuk 6 over de vraag of een mededeling die een getuige in een opgenomen gesprek heeft gedaan, mag worden aangemerkt als steunbewijs voor de verklaring die dezelfde persoon heeft afgelegd tijdens een formeel verhoor.
Hof ’s-Gravenhage 21 juni 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP3601.
HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4149, r.o. 9.3: ‘Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis en gelet op de bewoordingen van art. 344a, derde lid, Sv kan onder ’een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt’ niet worden verstaan een tapverslag van een telefoongesprek waaraan een anoniem gebleven persoon deelneemt.’
Rb. Gelderland 22 juli 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:1799: ‘De verdediging ziet eraan voorbij dat het bij het door haar gedane verzoek niet gaat om door [medeverdachte] bij de politie afgelegde verklaringen die belastend zijn voor verdachte, maar om in de auto afgeluisterde gesprekken waaraan onder meer [medeverdachte] en verdachte hebben deelgenomen.’
Dubelaar 2014, p. 224; Crijns 2010, p. 361. Deze opvatting sluit aan bij Supreme Court 8 maart 2004, 541 US 36 (2004) (Crawford/Washington), waarin een onderscheid is gemaakt tussen testimonial en nontestimonial hearsay. De verklaring die niet is afgelegd met het oogmerk een voor het bewijs bruikbare verklaring te produceren, zou als nontestimonial kunnen beschouwd. In Michigan Court of Appeal 28 september 2004, 689 N.W.2d 721 (2004) (People/Shepherd) is aangenomen dat sprake was van nontestimonial hearsay toen een gesprek van een gedetineerde in de gevangenis was opgenomen. Een belangrijk verschil met de opvatting van de Nederlandse rechters is dat naar Amerikaans recht ook in geval van nontestimonial hearsay het ondervragingsrecht van toepassing is. Er gelden dan echter minder strenge eisen dan ten aanzien van testimonial evidence. Zie uitgebreid over het verschil tussen testimonial en nontestimonial hearsay Kirkpatrick 2006- 2007. Zie over de verhouding tussen de Crawford-jurisprudentie en het EVRM-recht O’Brian 2005, Choo 2004 en Summers 2004.
Materieel gezien bestaat ook geen verschil met de persoon wiens verklaring via een andere getuige, zoals een opsporingsambtenaar, wordt overgebracht. Op de verklaring van die persoon zijn de eisen van ‘eigen waarneming en ondervinding’ van artikel 342 lid 1 Sv van toepassing. Zie bijvoorbeeld HR 28 augustus 2012, NJ 2012, 506, r.o. 3.4. Deze persoon wordt voor het bewijsrecht kennelijk aangemerkt als een getuige.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 119: ‘when a conviction is based solely or to a decisive degree on depositions that have been made by a person whom the accused has had no opportunity to examine or to have examined, whether during the investigation or at the trial, the rights of the defence may be restricted to an extent that is incompatible with the guarantees provided by Article 6’.
Zie bijvoorbeeld EHRM 19 februari 1991, appl.no. 11339/85 (Isgrò/Italië), § 33.
Vgl. EHRM 13 mei 1980, appl.no. 6694/74 (Artico/Italië), § 33 en EHRM 7 juli 1989, appl.no. 14038/88 (Soering/Verenigd Koninkrijk), § 87.
EHRM9 mei 2003, appl.no. 59506/00 (Papageorgiou/Griekenland), § 39-40. Zie daarover § 6 van hoofdstuk 1.
Het laatste geval deed zich bijvoorbeeld voor in HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145. Uit het afgeluisterde gesprek bleek op welke manier een drugsdeal tot stand was gekomen. In deze zaak diende het afgeluisterde gesprek overigens als steunbewijs voor de verklaring van de medeverdachte en deed zich dus niet de vraag voor of de gesprekken als verklaringen konden worden aangemerkt.
In HR 14 december 2004, NJ 2005, 383 had een getuige tijdens een politieverhoor een verklaring overgebracht van een andere getuige, waarvan hij de identiteit niet had genoemd. De verdediging meende dat sprake was van een geschrift houdende de verklaring van een getuige wiens identiteit niet bleek in de zin van artikel 344a Sv. De Hoge Raad oordeelde echter dat het gerechtshof terecht had aangenomen dat geen sprake was van een verklaring van een persoon in de zin van artikel 344a Sv. Hiermee is niet duidelijk of geen sprake was van een verklaring of dat daarvan weliswaar sprake was, maar artikel 344a op deze verklaring niet van toepassing was. AG Jörg hield het op het laatste: ‘Technisch gesproken betreft het evenwel niet de in art. 344, derde lid, Sv bedoelde verklaring, en zal op andere wijze de onverifieerbaarheid van de overgebrachte verklaring van de originele zegsman moeten worden gecompenseerd’. Volgens annotator Buruma – die overigens terecht kritisch is over de formalistische uitleg van artikel 344a lid 3 Sv – heeft de Hoge Raad slechts de tekst van de wet gevolgd. Daaruit blijkt volgens hem kennelijk dat artikel 344a lid 3 Sv slechts van toepassing op geschriften waarin verslag wordt gedaan van het verhoor van een anonieme getuige en niet tevens op geschriften waarin een getuige verklaart wat een anoniem gebleven getuige hem heeft verteld. Mijns inziens volgt deze uitleg niet uit de tekst van de wet. Die spreekt slechts van een ‘schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt’. Van opgenomen gesprekken wordt standaard een proces-verbaal opgemaakt, dat voor het bewijs kan worden gebruikt.
Uit artikel 342 lid 1 Sv blijkt wat in het Nederlandse strafrechtelijke bewijsrecht moet worden verstaan onder een verklaring van een getuige: een ‘mededeeling van feiten of omstandigheden, welke hij zelf waargenomen of ondervonden heeft’. De regels met betrekking tot het ondervragingsrecht zijn van toepassing ten aanzien van het gebruik van de ‘in het opsporingsonderzoek afgelegde en de verdachte belastende verklaring’ van een getuige.1Artikel 344a Sv is van toepassing op ‘verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt’. Omdat ik geen aanleiding zie voor een andere opvatting, neem ik aan dat aan het begrip ‘verklaring’ hierbij steeds dezelfde betekenis toekomt.
In de meeste gevallen waarin het ondervragingsrecht wordt ingeroepen, is wel duidelijk dat sprake is van een verklaring. Het gaat vaak om mededelingen die getuigen ten overstaan van de politie of een rechter-commissaris hebben gedaan en die in een proces-verbaal terecht zijn gekomen. Deze getuigen zijn zich ervan bewust geweest dat hun verklaring een rol zou kunnen spelen bij een strafrechtelijk onderzoek. Het is echter ook denkbaar dat zij bepaalde dingen hebben gezegd of geschreven zonder zich te hebben gerealiseerd dat deze uitlatingen ter kennis van anderen zouden komen. Dat is het geval bij afgeluisterde gesprekken.2 Het is de vraag of daarin gedane uitlatingen kunnen worden aangemerkt als verklaringen van getuigen en of het niet hebben kunnen ondervragen van de personen die deze uitlatingen hebben gedaan consequenties zou moeten hebben.3
Het Haagse gerechtshof overwoog hierover ten aanzien van een anonieme getuige: ‘Naar ’s hof[s] oordeel gaat het daarbij immers niet om een verklaring waarop artikel 344a.3 Sv doelt, nu het gaat om de registratie van een mededeling waarvan op zichzelf niet voor discussie vatbaar is dát die mededeling is gedaan en tevens in beginsel valt aan te nemen dat het niet de bedoeling van betrokkene is geweest dat zij ter kennis van de justitie zou komen – gelet op de wijze waarop zulks is gebeurd.’4 De Hoge Raad bevestigde de opvatting dat een persoon die in een tapgesprek aan het woord is, geen verklaring heeft afgelegd, maar zonder daarvoor een duidelijk argument te noemen.5 Ten aanzien van een niet-anonieme getuige oordeelde de Rechtbank Gelderland, eveneens zonder onderbouwing, dat een afgeluisterd gesprek geen ‘verklaring’ was in de zin van NJ 2013, 145.6 Dubelaar heeft een andere verklaring dan het Haagse gerechtshof gegeven waarom de mededeling van een persoon die in een aftapt gesprek aan het woord is, niet als getuigenverklaring wordt aangemerkt. Zij heeft gesteld, onder verwijzing naar Crijns, dat een persoon pas als getuige kan worden aangemerkt vanaf het moment waarop een rechtsbetrekking met de strafvorderlijke overheid ontstaat. Pas wanneer een persoon als getuige wordt opgeroepen, kan deze volgens Dubelaar worden aangemerkt als getuige.7 Mijns inziens is dat geen overtuigend argument om een opgenomen mededeling van een persoon niet als getuigenverklaring aan te merken. Materieel gezien is mijns inziens sprake van een getuige, omdat een persoon bepaalde waarnemingen heeft gedaan.8 Of deze getuige een verklaring heeft afgelegd, is een andere kwestie.
Wanneer een afgeluisterd of afgetapt gesprek naar nationaal recht niet als een ‘verklaring’ wordt opgevat, is het de vraag of het baseren van een veroordeling op de inhoud van dergelijke gesprekken zonder dat de getuige is gehoord, ook naar ehrm-opvatting verenigbaar is met artikel 6evrm. De term ‘verklaring’ komt niet voor in artikel 6 lid 3 sub d evrm. Bij de vaststelling van de beslissendheid van de getuigenverklaring wordt deze term door het ehrm echter wel gebruikt.9 Ook bij de beoordeling of een persoon als getuige moet worden aangemerkt, wordt de term gebruikt. Dikwijls overweegt het ehrm iets in de trant van: ‘the national courts took account of his statements’.10 Voor zover mij bekend heeft het ehrm zich tot nu toe niet uitgelaten over de vraag of een mededeling van een getuige in een opgenomen gesprek als getuigenverklaring moet worden aangemerkt. Ik vermoed dat het ehrm de formele benadering van de Nederlandse rechters niet zal volgen. De essentie van het ondervragingsrecht is dat getuigen moeten kunnen worden ondervraagd wanneer hun mededelingen voor het bewijs zijn gebruikt. Om het ondervragingsrecht practical and effective te laten zijn,11 moet een getuige kunnen worden ondervraagd, ongeacht of deze zijn mededeling in een formele verhoorsituatie heeft afgelegd of niet. In het arrest Papageorgiou oordeelde het ehrm dat het onderzoeken van het bewijsmateriaal in die zaak – dat niet uit getuigenverklaringen bestond – onder artikel 6 lid 3 sub d evrm viel. Het lijkt erop dat artikel 6 evrm een meer algemeen recht op het onderzoeken van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal inhoudt.12 Ook vanuit dat perspectief maakt het geen verschil of een mededeling is gedaan in een opgenomen gesprek of is vastgelegd in een procesverbaal van verhoor. Zou het ehrm dat verschil toch maken, dan zou het mogelijk een onderscheid maken tussen de situatie waarin een getuige spreekt over iets dat is voorgevallen (bijvoorbeeld in een afgetapt gesprek vertelt de getuige dat hij heeft gehoord hoe de verdachte een ander heeft bedreigd) en de situatie waarin het verloop van het strafbare feit blijkt uit een opgenomen gesprek (bijvoorbeeld uit de woorden van een getuige in een opgenomen gesprek blijkt dat de getuige drugs heeft gegeven aan de verdachte).13 In het eerste geval – waarin het argument van het Haagse gerechtshof overigens niet van toepassing zou zijn – zou ondervraging van de getuige van groter belang zijn dan in het laatste.14