Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.14:3.14 Samenvatting en conclusie
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.14
3.14 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196888:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[129] De onmiddellijke voorzieningen zijn in de wet gekomen als antwoord op de behoefte aan ordemaatregelen binnen de enquêteprocedure, waarmee de doeltreffendheid van die procedure kon worden vergroot. Het uitdrukkelijke streven van de wetgever naar versterking van die doeltreffendheid heeft geresulteerd in een procedure-onderdeel met een kort geding-achtig karakter (3.2 en 3.3). Toen de onmiddellijke voorzieningen eenmaal in de wet waren opgenomen, werd de behoefte aan de maatregelen bevestigd: de mogelijkheid om ze te verzoeken is populair gebleken. Hierdoor konden de onmiddellijke voorzieningen een impuls geven aan de ontwikkeling van het enquêterecht (3.4).
[130] Voor onmiddellijke voorzieningen kan slechts plaats zijn als is voldaan aan de vereisten van artikel 2:349a lid 2 BW. Die houden in dat ofwel het belang van het onderzoek ofwel de toestand van de rechtspersoon, waaronder mede wordt verstaan de toestand van de met de rechtspersoon verbonden onderneming, een ingreep van de rechter vergt (3.7). De wettelijke criteria vormen een hoge drempel voor het aanwenden van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen; er moet een dringende grond zijn voor het nemen van maatregelen. De criteria worden in de jurisprudentie geconcretiseerd. Dat gaat gepaard met het aftasten en – in de ‘pioniersfase’ – overschrijden van grenzen (3.8).
Naar voren is gekomen dat de rechter bij het uitoefenen van de bevoegdheid van artikel 2:349a lid 2 BW enerzijds te maken heeft met strikte grenzen en anderzijds veel armslag heeft. De ‘hoge drempel’ van de wettelijke criteria vormt een strenge afbakening van de bevoegdheid. Dat hangt samen met het doel en de aard van de procedure, zoals door de wetgever bedoeld: enerzijds verregaande effectiviteit en rechterlijke voortvarendheid en anderzijds beperkte procedurele waarborgen (3.2 en 3.3). Is de drempel eenmaal overschreden, dan heeft de rechter bij de keuze voor een specifieke voorziening heel wat ruimte (3.10 en 3.11).
Net als in het kort geding moet voorafgaand aan het treffen van een voorziening een afweging van belangen van de betrokken partijen plaatsvinden. Men komt de grenzen van de beslisruimte op het spoor door middel van de vereiste belangenafweging. In dit hoofdstuk is een onderscheid gemaakt tussen twee onderdelen of stadia van de beslissing over onmiddellijke voorzieningen: achtereenvolgens de beantwoording van de vraag óf ingegrepen dient te worden en de beslissing welke concrete voorziening dan moet worden getroffen (3.6). Onderzocht is of de vereiste belangenafweging moet aangrijpen op de beslissing dat ingegrepen moet worden, op de keuze voor de feitelijke voorziening, of op beide. De jurisprudentie biedt aanknopingspunten voor de gevolgtrekking dat in beide beslisstadia belangen afgewogen dienen te worden (3.9).
De beslisruimte wordt verder begrensd door de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, waaraan de onmiddellijke voorzieningen moeten voldoen (3.12). Het doel waartoe de maatregel wordt getroffen, enerzijds, en de invloed ervan op de verhoudingen binnen en het beleid van de vennootschap (de interne werking) en de inbreuk ervan op belangen van anderen (de externe werking), anderzijds, moeten in evenwicht zijn. Het belang van externe partijen kan dus meebrengen, dat een voor de rechtspersoon noodzakelijk geachte maatregel achterwege moet blijven (proportionaliteit). En dat geldt zelfs als geen minder verstrekkende, of andere, maatregel voorhanden is (subsidiariteit).
3.14.1 Slotsom