Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.7.5
5.7.5 De Theft Act 1978 en de Theft (Amendment) Act 1996
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Griew 1995, par. 7.04-7.06.
De Theft Act 1978 is een aanvulling op de Theft Act 1968. De inwerkingtreding van de Theft Act 1978 bracht dus niet de (volledige) intrekking van de Theft Act 1968 met zich mee. Beide Acts zijn nog steeds (grotendeels) in werking.
Vgl. Griew 1995, par. 7.04-7.08. S. 3 van de Theft Act 1978 is nog steeds in werking. Het delict ‘making off without payment’ kan andere delicten overlappen, zoals theft (bijvoorbeeld in het geval van een eetpiraat of benzinedief) en ‘obtaining services dishonestly’ (bijvoorbeeld het gebruik maken van een taxi en er dan vandoor gaan zonder te betalen). De laatstgenoemde delicten kunnen echter moeilijk te bewijzen zijn als niets bekend is over de intentie van de verdachte, vgl. Blackstone 2013, par. B5.38.
[1996] AC 815.
Te weten: (1) obtaining property belonging to another, with the intention of permanently depriving the other of it (s. 15 Theft Act 1968), (2) obtaining a money transfer (s. 15A Theft Act 1968, zoals ingevoegd door de Theft (Amendment Act) 1996), (3) obtaining services (s. 1 Theft Act 1978), (4) securing the remission of an existing liability to make a payment (s. 2(1)(a) Theft Act 1978), (5) inducing a creditor to wait for payment or to forgo payment with intent to permanently default on the debt (s. 2(1)(b) Theft Act 1978), (6) obtaining an exemption from or abatement of liability to make a payment (s. 2(1)(c) Theft Act 1978), (7) obtaining a pecuniary advantage (s. 16 Theft Act 1968) en (8) procuring the execution of a valuable security (s. 20(2) Theft Act 1968).
Griew 1995, par. 7.22.
S. 16(2)(a) van de Theft Act 1968 werd al snel beschouwd als een juridische nachtmerrie. In haar 13e Rapport stelde de CLRC voor deze bepaling in te trekken en te vervangen door drie nieuwe delicten. In aanvulling op s. 15 van de Theft Act 1968 was een delict nodig dat zag op gevallen waarin bedrog werd gepleegd om op krediet geen goederen, maar andere voordelen te verkrijgen, zoals het huren van goederen, arbeid of het verlenen van een vergunning. De CLRC wilde het woord services niet gebruiken en stelde uiteindelijk voor strafbaar te stellen ‘dishonestly inducing another by deception to act on any person’s promise’. Het House of Lords vond dit te complex en stelde voor ‘obtaining services by deception’ strafbaar te stellen.1 Na raadpleging van de CLRC luidde s. 1 van de Theft Act 19782 uiteindelijk als volgt:
A person who by any deception dishonestly obtains services from another shall be guilty of an offence.
It is an obtaining of services where the other is induced to confer a benefit by doing some act, or causing or permitting some act to be done, on the understanding that the benefit has been or will be paid for.”
Het was de verdienste van de CLRC dat services in s. 1(2) tot op zekere hoogte werd gedefinieerd, zodat het delict zich slechts uitstrekte tot diensten die op waarde konden worden bepaald. In s. 2 van de Theft Act 1978 werd voorts ‘evasion of liability by deception’ strafbaar gesteld. Gezamenlijk moesten s. 1 en 2 van de Theft Act 1978 s. 16(2)(a) van de Theft Act 1968 vervangen. Tegelijkertijd werd de kans gegrepen het algemene delict ‘making off without payment’ in te voeren, vgl. s. 3 Theft Act 1978. Bij dit delict was bedrog geen vereiste.3
Als gevolg van de zaak Preddy4 moest de wet in 1996 weer worden aangepast. In gevallen waarin een verdachte bedrog pleegde om geld van iemands bankrekening te verkrijgen, werd tot die tijd aangenomen dat de verdachte een vorderingsrecht toebehorend aan zijn slachtoffer verkreeg. In de zaak Preddy werd echter succesvol bepleit dat een verdachte in een dergelijk geval niets dat toebehoort aan een ander verkrijgt. De rekening van het slachtoffer werd gedebiteerd en die van de verdachte gecrediteerd, maar de verdachte had geen eigendom, bezit of controle (zoals vereist door s. 15 Theft Act 1968) verkregen over de vordering van het slachtoffer op de bank. Deze maas in de wet werd gedicht door de Theft (Amendment) Act 1996. Als gevolg van deze wet werd na s. 15 van de Theft Act 1968 een nieuwe bepaling ingevoegd, s. 15A, die ‘obtaining a money transfer by deception’ strafbaar stelde. In totaal waren er nu acht deception-bepalingen.5 Griew schreef hierover:
“No one wanting to construct a rational, efficient law of criminal fraud would choose to start from the present position. The law (…) is in a very untidy and unsatisfactory condition. The various offences are not so framed and related to each other as to cover, in a clearly organised way and without doubt or strained interpretation, the range of conduct with which the law should be able to deal.”6