Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.7.3
5.7.3 CLRC
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Inhoudende dat iemand die vervolgd wordt wegens larceny veroordeeld mag worden wegens ‘obtaining by false pretences’.
Inhoudende dat iemand die vervolgd wordt wegens ‘obtaining by false pretences’ ook voor dit feit veroordeeld mag worden als het bewijs wijst op larceny.
CLRC 1966, par. 19.
CLRC 1966, par. 90.
CLRC 1966, par. 86-87.
CLRC 1966, par. 38.
CLRC 1966, par. 86.
Ingevolge s. 28(2) Draft Bill moet onder gain alleen winst in geld of geldwaarde worden verstaan.
CLRC 1966, par. 86-87.
CLRC 1966, par. 88.
CLRC 1966, par. 89.
CLRC 1966, par. 90.
Een chattel is een roerend goed, ter onderscheiding van land. Bij wijze van uitzondering wordt geld in het algemeen niet als chattel aangemerkt, hoewel het wel een roerend goed is en altijd larcenable was. Het recht dat van toepassing is op chattels is over het algemeen ook van toepassing op geld. Zie Smith 1994, par. 1.09, noot 35.
CLRC 1966, par. 91. De argumenten die bestonden tegen het van toepassing maken van theft op land, waren volgens de commissie veel minder van toepassing bij obtaining by deception. De essentie van het laatste was misleiden van iemand met het doel hem te scheiden van zijn goed.
CLRC 1966, par. 93.
CLRC 1966, par. 94-95.
CLRC 1966, par. 96.
CLRC 1966, par. 97.
CLRC 1966, par. 98.
CLRC 1966, par. 99.
CLRC 1966, par. 100.
CLRC 1966, par. 101.
De door de CLRC gesignaleerde problemen
De CLRC was van mening dat het verschil tussen larceny, in het bijzonder ‘larceny by a trick’, en ‘obtaining by false pretences’ wel erg subtiel was, dat het erg moeilijk was om een logisch onderscheid tussen beide gevallen te maken en om te beslissen of in een concreet geval sprake is van het één of het ander. Dit werd nog verder geproblematiseerd door de omstandigheid dat beide delicten elkaar uitsloten. Dit werd in de ogen van de CLRC niet afdoende opgelost door s. 44(3)1 en (4)2 van de Larceny Act, welke bepalingen alternatieve bewezenverklaringen mogelijk maakten.3 Problemen rezen bijvoorbeeld als de jury een verdachte die terecht werd vervolgd wegens larceny abusievelijk veroordeelde wegens obtaining by false pretences. Het Court of Appeal kon dit niet vervangen door een schuldigverklaring wegens larceny, omdat de beslissing van de jury een vrijspraak wegens larceny impliceerde. Het Court of Appeal kon daarom niet beslissen dat de jury feiten had vastgesteld die hadden moeten leidden tot een bewezenverklaring wegens larceny.4
Voorts zat er volgens de CLRC één ernstige maas in de wet: alleen ‘false pretences’ ten aanzien van bestaande feiten leverden een ‘false pretence’ als bedoeld in s. 32 van de Larceny Act op. ‘False pretences’ over toekomstige gebeurtenissen en ‘false pretences’ ten aanzien van voornemens vielen daar dus buiten.5
Voorstellen van de CLRC
Lange tijd heeft bij de CLRC het idee geleefd dat het nieuwe algemene delict theft ook ‘obtaining by false pretences’ zou moeten omvatten. Het leek juist om theft zo ruim uit te leggen dat zoveel mogelijk manieren van oneerlijke verkrijging van goederen er onder zouden vallen. Maar uiteindelijk is dit idee opgegeven. Ondanks de aantrekkelijkheid van het idee leek het de meerderheid van de commissie onbevredigend. ‘Obtaining by false pretences’ werd normaal gesproken gezien als afwijkend van theft, omdat in het eerste geval de eigenaar in feite toestemde om van zijn goederen te worden gescheiden. Het leek onjuist om een nieuw delict theft te creëren waaronder gevallen zouden vallen die men normaal gesproken niet als theft ziet. Het onnatuurlijke van het opnemen van ‘obtaining by false pretences’ in theft werd benadrukt door onderzoek waaruit bleek dat het formuleren van een bevredigende definitie die beide gevallen zou omvatten op grote moeilijkheden stuitte.6
Het doel van het in s. 12 van het wetsontwerp voorgestelde delict ‘criminal deception’ was om de wet te versimpelen en de hiervoor genoemde maas in de wet te dichten.7 S. 12 van het wetsontwerp luidde:
A person who by any deception dishonestly obtains property belonging to another, with the intention of permanently depriving the other of it, shall on conviction on indictment be liable to imprisonment for a term not exceeding ten years.
For purposes of this subsection a person is to be treated as obtaining property if he obtains ownership, possession or control of it, and “obtain” includes obtaining for another or enabling another to obtain or to retain.
A person who by any deception obtains credit or further credit for himself or another (whether for performance of an obligation which is legally enforceable or of one which is not) shall on conviction on indictment be liable to imprisonment for a term not exceeding five years.
For purposes of this subsection “credit” includes not only credit in respect of the payment or repayment of money, but also credit in respect of delivery of goods, the doing of work or the performance of any other obligation.
A person who dishonestly, with a view to gain8 for himself or another, by any deception induces a person to do or refrain from doing any act shall on conviction on indictment be liable to imprisonment for a term not exceeding two years.
For purposes of this section “deception” means any deception (whether deliberate or reckless) by words or conduct as to fact or as to law, including a deception as to the present intentions of the person using the deception or any other person.”
Het vervangen van de woorden ‘false pretences’ door deception was vooral een kwestie van taal. Volgens de commissie zag het laatste woord meer op het gevolg van het handelen van de verdachte, terwijl het eerste meer op het handelen zelf ziet.9
S. 12 van de Draft Bill zou zoals gezegd s. 32 van de Larceny Act 1916 vervangen. Deze verandering kwam overeen met de verandering van fraudulently naar dishonestly in de definitie van stealing. Het leek de CLRC ook in dit verband juist het woord dishonestly te gebruiken. Dankzij dewoorden ‘dishonestly obtains’ zou een persoon die bedrog gebruikt om een goed te verkrijgen waartoe hij, naar zijn mening, gerechtigd is, niet strafbaar zijn. Het bedrog zou dan wel oneerlijk zijn, het verkrijgen niet. Ook in dit opzicht kwamde bepaling met die van theft overeen.10 Het vereiste in s. 12(1) Draft Bill dat er een intentie moet zijn om de eigenaar permanent zijn goed te ontnemen, was ook in lijn met de definitie van theft.11
Aan de andere kant bepaalde s. 12(1) Draft Bill wel dat iemand die eigendom, bezit of controle over een goed verkrijgt, geacht wordt dat goed te hebben verkregen. Dit was een uitbreiding ten opzichte van s. 32, dat voorschreef dat eigendom moest worden verkregen. De CLRC voorzag dat deze uitbreiding tot effect zou hebben dat theft en criminal deception elkaar zouden overlappen en dat handelingen die onder het oude recht ‘larceny by a trick’ of ‘obtaining by false pretences’ zouden opleveren, vanaf dat moment allemaal onder criminal deception zouden vallen. De CLRC wees er al op dat zich in de praktijk de vraag zou kunnen voordoen of vervolgd zou moeten worden wegens theft of wegens ‘obtaining by criminal deception’. Het leek de commissie vanzelfsprekend en slim om wegens het laatste te vervolgen. Het ten laste leggen van theft was volgens de commissie alleen aangewezen in hele duidelijke gevallen. De nieuwe wet had als voordeel dat de vervolgende autoriteiten niet, zoals vroeger, behoefden te kiezen tussen twee elkaar uitsluitende delicten. De voorgestelde overlap zou tot resultaat hebben dat de verdachte veroordeeld kon worden voor het delict dat ten laste was gelegd.12
S. 12 Draft Bill was ook ruimer dan s. 32 van de Larceny Act 1916 ten aanzien van de verschillende soorten goederen die verkregen konden worden. S. 32 van de Larceny Act 1916 was van toepassing op chattels,13 geld en zekerheidsrechten, terwijl het voorgestelde s. 12 zag op goederen in het algemeen en zelfs land.14
De maximumstraf voor ‘obtaining property by deception’ werd gelijkgesteld aan die voor theft, namelijk tien jaren.15
Het voorgestelde s. 12(2), dat een aparte strafbaarstelling bevatte, moest s. 13(1) van de Debtors Act 1869 – volgens welke een persoon strafbaar was als hij een schuld of andere verplichting aanging onder valse voorwendselen of door middel van een andere frauduleuze handeling – vervangen. Hieronder viel bijvoorbeeld het verkrijgen van eten en onderdak met de bedoeling daar niet voor te betalen. Het nieuwe artikel was ruimer, zodat er ook andere gevallen van bedrog onder zouden vallen. Het nieuwe delict omvat bijvoorbeeld ook het verkrijgen van een verlenging van het krediet en het verkrijgen van krediet voor een ander. De omstandigheid dat dit soort delicten vaak uit gewoonte werden gepleegd en het feit dat het delict zich ook in ernstige vorm kon voordoen, rechtvaardigden volgens de CLRC een qstrafmaximum van vijf jaar gevangenisstraf. De in s. 12(2) strafbaar gestelde handelingen vielen ook onder het hierna te bespreken algemene delict deception van s. 12(3) Draft Bill, maar de maximumstraf op dat delict was slechts twee jaar gevangenisstraf.16
In s. 12(3) Draft Bill stelde de CLRC een algemeen bedrogsdelict voor. Het delict kwam niet overeen met enig delict onder het oude recht, maar moest een aantal gevallen van bedrog beslaan die volgens de commissie strafbaar zouden moeten zijn. Het was een soort vangnetbepaling.17
Het systeem van s. 12 was het onderwerp van grote meningsverschillen binnen de commissie. Het algemene delict in s. 12(3) was uiteindelijk een compromis tussen twee tegenovergestelde voorstellen over criminal deception.
Het eerste voorstel was het creëren van een algemeen bedrogsdelict dat alle of bijna alle vormen van bedrog die strafbaar zouden moeten zijn zou omvatten en welk delict bedreigd zou worden met een gevangenisstraf van zeven jaren. Het delict zou dan ongeveer zo luiden als het uiteindelijk voorgestelde s. 12(3).De essentie van het delict zou ‘dishonestly using deception for the purpose of gain’ zijn. Het delict van ‘obtaining property by deception’ zoals voorgesteld in s. 12(1) zou apart kunnen worden gehouden, maar het zou ook onder het algemene delict kunnen vallen als er een voor beide delicten aanvaardbare straf op zou staan.
Het tweede voorstel was om alleen de specifieke delicten van ‘obtaining property by deception’, ‘obtaining credit by deception’ en ‘procuring by deception the execution of a valuable security’ (s. 16(2) Draft Bill) op te nemen en niet een algemeen delict als in s. 12(3).18
De argumenten voor het eerste voorstel waren de volgende:
Het gebruik van ‘deception for the purpose of gain’ zoals beschreven in s. 12(3) zou de essentie van het delict criminal deception moeten zijn. Wat voor voordeel de verdachte wil behalen voor zichzelf of een ander ten koste van zijn slachtoffer doet niet ter zake, behalve voor de straf.
Het opsommen en definiëren van de verschillende objecten waarop het bedrog betrekking kan hebben is onbevredigend en gevaarlijk, omdat het onmogelijk is een complete opsomming te maken.
Een enkel algemeen delict in de vormvan s. 12(3) zou in overeenstemming met het systeem van het wetsontwerp zijn en zou resulteren in een grote versimpeling van de wet.
Het doel van dit deel van het strafrecht is het beschermen van het publiek tegen dishonest deception en hoe wijder de bepaling is, hoe meer bescherming deze biedt.19
De voorstanders van het tweede voorstel waren van mening dat het creëren van een algemeen delict als s. 12(3) onwenselijk was:
De woorden van s. 12(3) zijn weinig specifiek, terwijl het in het Engelse recht een beginsel is om redelijk gedetailleerd aan te geven welk gedrag strafbaar is. De woorden dishonestly, gain en deception zijn niet nauwkeurig genoeg voor een algemene strafbaarstelling.
Het delict zou een voorbereidingsdelict zijn en zou bovendien gelijktijdig een poging opleveren. Het delict zou daarmee een aansprakelijkheid voor voorbereidingshandelingen kunnen introduceren die verder ging dan de aansprakelijkheid met betrekking tot poging.
Het delict zou veel minder ernstige gevallen van deception omvatten die het publiek niet strafbaar vindt, zoals handelingen van handelaars, adverteerders en sollicitanten.
Het compromisvoorstel zou tot gevolg hebben dat overlap ontstaat tussen s. 12(3) en andere delicten uit het ontwerp, inclusief overlap met de andere twee delicten uit s. 12 zelf.
Het zou onlogisch zijn dat – terwijl de intentie om de eigenaar permanent van zijn goed te beroven een voorwaarde is voor theft en ‘obtaining property by deception’ – ‘deception in order to obtain the loan of a thing’ wel een delict onder s. 12(3) zou opleveren.20
Uiteindelijk was de commissie in haar geheel van oordeel dat, in aanmerking nemende de hierboven weergegeven tegengestelde opvattingen, het voorgestelde ontwerp van s. 12 het meest bevredigend was. Dit voorstel erkende de voordelen van het creëren van een enkel algemeen delict van criminal deception, in overeenstemming met het eerste voorstel. De meeste commissieleden vonden een maximumstraf die hoog genoeg zou zijn voor de delicten in s. 12(1) en 12(2), veel te zwaar voor het algemene delict van s. 12(3). Het delict van s. 12(3), met een maximumstraf van twee jaar gevangenisstraf, zou nuttig zijn voor bepaalde minder ernstige zaken. Daarbij was het delict in zijn algemeenheid in principe juist en zou het de praktijk geen schade berokkenen.21
In s. 12(4) werd deception gedefinieerd. Door deze definitie werd het vroegere delict ‘obtaining by false pretences’ aanzienlijk verbreed. Een belangrijke verandering was dat, zoals hiervoor al werd opgemerkt, valse voorstellingen met betrekking tot intenties voortaan ook strafbaar waren. De CLRC heeft nog overwogen of het oneerlijk nalaten een misvatting te corrigeren en andere vormen van oneerlijk verzwijgen zouden moeten tellen als deception. Hiervan is afgezien omdat het erg moeilijk zou zijn om dat te specificeren zonder de bepaling enorm uit te breiden. Daarbij deed zich ook nog de complicatie voor dat heimelijkheid in sommige gevallen niet zou leiden tot civielrechtelijke aansprakelijkheid. In het bijzonder is rekening gehouden met de omstandigheid dat – in het civiele recht – een verkoper over het algemeen niet verplicht was de koper op gebreken te wijzen. Het zou te ver gaan om het verzwijgen van iets ten aanzien waarvan civielrechtelijk geen verplichting bestaat het te onthullen, een strafbaar feit te maken. Het gevolg zou zelfs kunnen zijn dat de regels van het civiele recht zouden veranderen (als het parlement het strafbaar vindt, moet civielrechtelijke aansprakelijkheid volgen). Uitdrukkelijk bepalen dat verzwijging alleen strafbaar is als er een civielrechtelijke plicht tot onthullen is, zou daarentegen op verzet stuiten van strafrechtjuristen, die bezwaar hebben tegen wetgeving die refereert aan het civiele recht.22