Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.5.3.2
1.5.3.2 Deskundigen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Stessens en De Smet in Vande Lanotte & Haeck 2004, p. 610-611. Tot dezelfde conclusie komt Hielkema 1996, p. 158-168. Hierbij zij opgemerkt dat zijn bevinding uitsluitend is gebaseerd op de arresten EHRM 6 mei 1985, appl.no. 8658/79 (Bönisch/Oostenrijk) en EHRM28 augustus 1991, appl.nos. 11170/84 e.a. (Brandstetter/Oostenrijk). Zie verder Holdgaard 2002, p. 89.
Zo ook Trechsel 2006, p. 303.
EHRM 4 november 2008, appl.no. 72596/01 (Balsyte˙ -Lideikiene˙/Litouwen), § 63. Zie ook ECRM 21 oktober 1993, appl.no. 17265/90 (Baragiola/Zwitserland) en EHRM 8 augustus 2006, appl.no. 43803/98 (Eskelinen/Finland e.a.), § 30. Ook in EHRM 6 mei 1985, appl.no. 8658/79 (Bönisch/Oostenrijk), § 29 gebruikte het EHRM de geciteerde overweging. In deze zaak leek het artikel 6 lid 3 sub d EVRM desondanks wel van toepassing te achten, omdat de persoon in kwestie weliswaar naar nationaal recht als deskundige werd aangemerkt, maar in de ogen van het EHRM eerder als belastende getuige moest worden beschouwd. Om dat te kunnen vaststellen moest volgens het EHRM worden gekeken naar ‘the procedural position he occupied and to the manner in which he performed his function’. De deskundige in deze zaak had zelf het strafbare feit gerapporteerd aan de vervolgende autoriteiten en vervolgens zijn rapport toegelicht. (§ 31-32) Omdat reeds een schending van artikel 6 lid 1 EVRM werd aangenomen, hoefde het EHRM niet meer te oordelen of artikel 6 lid 3 sub d EVRM ook was geschonden. (§ 35) Zie hierover ook Machielse 2005, p. 438 (voetnoot 6).
EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 158: ‘As to paragraph 3 (d) of Article 6, it refers to “witnesses”, and, if interpreted strictly, should not be applied to other evidence. However, this term must be given an autonomous interpretation. It can also include expert witnesses’. Zie ook § 191: ‘Article 6 § 1 read in conjunction with § 3 (d) of the Convention does not give the defence an absolute right to the hearing of specific expert evidence’. De laatstgenoemde formulering komt ook voor in EHRM 18 januari 2001, appl.nos. 27715/95 & 30209/96 (dec.) (Berliński/Polen), p. 15 en EHRM 28 november 2000, appl.no. 48297/99 (dec.) (Butkevičius/Litouwen), p. 25. Het EHRM verwees in § 158 van het arrest Mirilashvili naar EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 81-82, waarin deskundigenbewijs ook onder artikel 6 lid 3 sub d EVRM werd onderzocht.
Hierbij moet worden aangetekend dat de in deze paragraaf genoemde arresten Mirilashvili, Gregačević, Khodorkovskiy & Lebedev en Matytsina alle zijn gewezen door de eerste sectie van het EHRM. Het hiervoor geciteerde arrest Balsyte˙ -Lideikiene˙ , waarin de deskundige niet als getuige werd aangemerkt, is gewezen door de derde sectie. Het is derhalve mogelijk dat geen sprake is van een bepaalde koers van het hele EHRM in de afgelopen jaren, maar slechts van een bevestiging van de opvatting van de rechters van de eerste sectie.
Het EHRM zal ‘filed’ hebben bedoeld.
EHRM 25 juli 2013, appl.nos. 11082/06& 13772/05 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland), § 711. Zie ook EHRM 10 juli 2012, appl.no. 58331/09 (Gregačević/Kroatië), § 67: ‘the term “witnesses” under Article 6 § 3(d) of the Convention has an autonomous meaning which also includes expert witnesses.’
EHRM 27 maart 2014, appl.no. 58428/10 (Matytsina/Rusland), § 167. Een verschil tussen een getuige en een deskundige is bijvoorbeeld dat een getuige dikwijls toevallig een waarneming doet van feiten, terwijl een deskundige op uitnodiging bepaalde objecten onderzoekt en naar aanleiding van dit onderzoek conclusies trekt op basis van zijn deskundigheid.
Trechsel wijst erop dat in de praktijk dezelfde regels worden toegepast, ongeacht of de klacht onder lid 1 of onder lid 3 sub d wordt beoordeeld. Zie Trechsel 2006, p. 303.
EHRM 25 juli 2013, appl.nos. 11082/06& 13772/05 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland), § 715.
EHRM 25 juli 2013, appl.nos. 11082/06 &13772/05 (Khodorkovskiy& Lebedev/Rusland), § 713.
EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 81-82; EHRM 25 september 2007, appl.no. 65743/01 (dec.) (Khivrenko/Oekraïne): ‘the Court observes that the domestic courts did not base his conviction solely on the contents of the audio recordings or on the expert’s report’; EHRM 8 januari 2009, appl.nos. 38697/02& 14711/ 03 (Laryagin & Aristov/Rusland). Ook in EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland) speelde de verklaring van een deskundige geen dominante rol, omdat zijn bevindingen werden bevestigd door andere deskundigenrapporten. In deze zaak werd uiteindelijk wel een schending aangenomen, maar uitsluitend omdat niet was voldaan aan de overall fairness van de procedure.
De klager was eigenares van een uitgeverij. Zij was veroordeeld wegens het verspreiden van een kalender met historische gegevens, waarin Poolse, Russische en joodse mensen waren beledigd. Om het beledigende karakter van de kalender te kunnen vaststellen, werden verschillende deskundigen ingeschakeld. Zij brachten rapporten uit. De verdachte verzocht om hun oproeping ter zitting, maar al haar verzoeken werden afgewezen.
EHRM 4 november 2008, appl.no. 72596/01 (Balsyte˙ -Lideikiene˙/Litouwen), § 64.
Rechter Myjer was een andere mening toegedaan. Hij meende dat de rapporten niet van grote betekenis waren, omdat het bepalen of een bepaalde tekst beledigend is, een juridische aangelegenheid is. De opvattingen van de historicus, psycholoog, politicoloog en bibliotheekwetenschapper konden volgens hem niet bijdragen aan het vaststellen van het beledigende karakter van de kalender.
EHRM 5 juli 2007, appl.no. 31930/04 (Eggertsdóttir/IJsland), § 47. Zie ook EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 178.
Onder deskundigenbewijs verstaat het ehrm ‘sources of information which do not describe the particular facts of a case but instead provide a scientific, technical, or other similar analysis of those facts (which can also be defined as “opinion testimony”).’1 Artikel 6 lid 3 sub d evrm spreekt uitdrukkelijk van getuigen en niet van deskundigen. Het begrip ‘getuige’ heeft echter een autonome betekenis. Op grond daarvan is het dus denkbaar dat ook deskundigen als getuigen worden aangemerkt. Stessens en De Smet stellen zich op het standpunt dat, ‘anders dan soms wel eens wordt voorgehouden’, het ehrmartikel 6 lid 3 sub d evrm niet toepast op deskundigen.2 Analyse van de Straatsburgse jurisprudentie laat echter zien dat het ehrm niet steeds consistent is geweest in zijn benadering.3 In een aantal zaken heeft het ehrm inderdaad overwogen dat artikel 6 lid 3 sub d evrm niet betrekking heeft op deskundigen, maar op getuigen. Desondanks werd vervolgens het recht om deskundigen te ondervragen aangenomen, met een overweging als de volgende:
‘However the Court would like to recall that the guarantees contained in paragraph 3 are constituent elements, amongst others, of the concept of a fair trial set forth in paragraph 1. In the circumstances of the instant case, the Court, whilst also having due regard to the paragraph 3 guarantees, including those enunciated in sub-paragraph (d), considers that it should examine the applicant’s complaints under the general rule of paragraph 1.’4
De klachten in deze zaken werden onderzocht in het kader van artikel 6 lid 1evrm, waarbij echter wel rekening werd gehouden met de garanties van artikel 6 lid 3 sub d evrm. Dat roept de vraag op hoe dat ‘rekening houden met’ praktisch vormgegeven zou moeten worden. Die vraag laat ik hier rusten. In het arrest Mirilashvili achtte het ehrm artikel 6 lid 3 sub d evrm wél van toepassing op deskundigenbewijs.5 In meer recente jurisprudentie volgt het ehrm overwegend die opvatting.6 In het arrest Khodorkovskiy & Lebedev overwoog het:
‘The Government argued that Mr Yeloyan and Mr Kuprianov were not “witnesses” within the meaning of Article 6 § 3 (d), but “experts”, i.e. persons with specialist knowledge who assisted the court in a particular technical or scientific filed.7 The Court agrees that the role of an expert witness in the proceedings can be distinguished from that of an eye-witness who must give to the court his personal recollection of a particular event. That does not mean, however, that testing of expert evidence is not covered by Article 6 § 3 (d) taken in conjunction with Article 6 § 1. There is an extensive case-law of the Court which guarantees to the defence a right to study and challenge not only an expert report as such but also the credibility of those who have prepared it, through their direct questioning’.8
Hoewel in de ehrm-jurisprudentie geen heldere lijn kan worden ontdekt met betrekking tot de vraag of deskundigen moeten worden aangemerkt als getuigen in de zin van artikel 6 lid 3 sub d evrm, is wel duidelijk dat ook ten aanzien van deskundigen een recht op ondervraging bestaat.
Ten aanzien van deskundigen heeft het ehrm nooit een beslismodel gepresenteerd. In het arrest Matytsina overwoog het dat getuigen en deskundigen verschillende rollen spelen in de procedure en niet dezelfde status hebben. Deskundigen ‘cannot be fully associated with “witnesses”, at least not for all purposes’.9 Dat zou als gevolg kunnen hebben dat ook de beoordeling op een andere manier wordt uitgevoerd. Ten aanzien van deskundigen heeft het ehrm nooit expliciet aangegeven welke beoordelingsfactoren relevant zijn.10
In het arrest Khodorkovskiy & Lebedev beschouwde het ehrm als de belangrijkste grond voor de vaststelling van een schending van artikel 6 lid 3 sub d evrm dat een goede reden ontbrak voor het afwijzen van een ondervragingsverzoek ter zake van twee deskundigen.11 In deze zaak stelde het ehrm ook vast dat het rapport van twee deskundigen van grote betekenis was voor de vaststelling van de schuld van de verdachten.12 Dat het gewicht van het deskundigenrapport een belangrijke beoordelingsfactor is, blijkt ook uit andere uitspraken. Was de deskundigenverklaring niet van grote betekenis voor de uitkomst van de zaak, dan zal vermoedelijk niet snel een schending van artikel 6 evrm worden aangenomen.13 In de zaak Balsyte˙ - Lideikiene˙ werden de deskundigenrapporten van grote betekenis geacht.14
Het ehrm meende dat de rapporten ‘a key place’ hadden en stelde voornamelijk daarom een schending van artikel 6 lid 1evrm vast.15 Het oordeel over het gewicht van het deskundigenbewijs lijkt in deze zaak vooral te zijn ingegeven door het feit dat de rechter zelf opdracht had gegeven tot de rapporten.16 In een eerdere beslissing overwoog het ehrm daarover: ‘an opinion of an expert who has been appointed by the competent court to address issues arising in the case is likely to carry significant weight in that court’s assessment of those issues’.17