Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/5.2.2.8.3
5.2.2.8.3 Goedkeuringsrecht
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS443736:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Mohr (1976), p. 129, Mohr (1981), p. 160, Mohr (1988), p. 128, Mohr (1992a), p. 163, Mohr (1998), p. 168, Mohr & Meijers (2009), p. 173, Meijers (1996), p. 202, Heyman (1988), p. 13, Pitlo/Raaijmakers (2006), nr. 2.6.9, Slagter (Personenassociaties III), III.1.4.3, Geradts (2004), p. 17-18; zie 2.2.1.2.3 onder e) hierboven.
Kamerstukken II, 2002/03, 28 746, nr. 3 (MvT), p. 76.
Zie 2.3.3.2 hierboven.
Zie 3.2.3.1.4 hierboven.
Zie 4.5 hierboven.
Zie 3.3.3.1.2 hierboven.
Zie 3.3.3.1.2 hierboven.
Zie 3.4.3.1 hierboven.
Van der Ploeg & Schwarz (1986), p. 650, Heyman (1988), p. 7 en p. 13, Asser/Maeijer 5-V (1989), nr. 371, Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 371. Zie verder 2.2.1.2.3. onder e) hierboven.
Heyman (1988), p. 13. Zo ook Veldhuyzen & Jong (2009), p. 69.
Mohr (1988), p. 128, Mohr (1992a), p. 164, Mohr (1998), p. 169, Mohr & Meijers (2009), p. 174.
Dit laatste argument hanteren ook Veldhuyzen & Jong (2009), p. 69.
Onder het goedkeuringsrecht versta ik een in de vennootschapsovereenkomst aan de commanditair toegekend recht om goedkeuring te verlenen aan voorgenomen besluiten van de besturende vennoot, bij gebreke waarvan de besturende vennoot in ieder geval intern onbevoegd is deze rechtshandeling te verrichten. Naar huidig Nederlands recht is dit een geldig beding.1 Ook onder het wetsvoorstel Personenvennootschappen waren de vennoten gerechtigd een dergelijk beding in hun vennootschapsovereenkomst op te nemen.2 Wel is in de literatuur erop gewezen dat een extensief gebruik van een dergelijke bevoegdheid zou kunnen worden gekwalificeerd als het uitoefenen van een ‘beslissende invloed’ door de commanditaire vennoot. Dat zou volgens art. 7:837 lid 2 BW van dat wetsvoorstel als een overtreding van het bestuursverbod moeten worden aangemerkt.3 In Frankrijk kan de commanditair eveneens het recht bedingen dat zijn goedkeuring is vereist voor handelingen van de besturende vennoot.4 In de ontstaansgeschiedenis van de Code de Commerce is de noodzaak daartoe ook expliciet erkend.5 In Duitsland heeft de commanditair krachtens art. 164 HGB een wettelijk goedkeuringsrecht voor alle bestuurshandelingen die niet tot de normale bedrijfsactiviteiten behoren.6 In de Verenigde Staten bepaalt art. 303 (1)(6) RULPA 1985 dat – behoudens afwijkend contractueel beding – de goedkeuring van de commanditair is vereist voor de in dat artikel opgesomde aangelegenheden, en dat daarnaast in de vennootschapsovereenkomst kan worden bepaald dat zijn goedkeuring voor tal van andere bestuursbesluiten is vereist.7 Alleen in Engeland is de rechtstoestand wezenlijk anders: aldaar kunnen de commanditairen geen goedkeuringsrechten worden toegekend.8
Voor het Nederlandse recht zou ik menen dat de vennoten het recht zouden moeten hebben in de vennootschapsovereenkomst de goedkeuring van de commanditair voor te schrijven voor bepaalde, in deze overeenkomst te specificeren, voorgenomen besluiten van de besturend vennoot. Een dergelijke bevoegdheid zou zelfs zo ver kunnen gaan dat voor iedere voorgenomen bestuurshandeling de goedkeuring van de commanditair nodig is. Weliswaar draagt dit het gevaar in zich dat de besluitvorming binnen de vennootschap zou kunnen worden geïmmobiliseerd, waarmee het opnemen van een dergelijke regel zakelijk gezien wellicht niet verstandig is, maar juridisch lijkt mij dit aanvaardbaar. Ook in een dergelijke opzet kan de commanditair het door hem gewenste beleid immers niet doorzetten: hij kan slechts het door hem niet gewenste beleid belemmeren. Daarmee is hij niet in staat het beleid van de vennootschap te initiëren en te executeren, en is hij dus niet in staat namens de vennootschap roekeloos rechtshandelingen aan te gaan. Een schending van het bestuursverbod is dan ook niet aan de orde.
Een punt dat in dit kader nog bespreking verdient is of kan worden bewerkstelligd dat aan het in het vennootschapscontract opgenomen vereiste dat (bepaalde) besluiten van de besturende vennoten de goedkeuring van de commanditair behoeven externe werking toekomt. Betoogd is wel dat dit naar huidig recht mogelijk is, en wel door het goedkeuringsvereiste in het handelsregister te publiceren.9 Wel worden daarbij twee beperkingen genoemd. De eerste is dat slechts de besturend vennoot op een dergelijke bepaling een beroep kan doen; indien de commanditair zelf jegens een wederpartij van de commanditaire vennootschap een beroep zou doen op het goedkeuringsrecht zou hij daardoor het bestuursverbod overtreden. De tweede beperking die wordt genoemd is dat de commanditaire vennootschap geen beroep op het ontbreken van deze goedkeuring mag doen wanneer de besturende vennoot aan de wederpartij heeft medegedeeld dat de commanditaire vennoot de contractueel voorgeschreven goedkeuring voor een te verrichten rechtshandeling heeft verleend.10 Mohr en Meijers huldigen een andere opvatting: zij menen dat het verlenen van externe werking aan een goedkeuringsbeding onder huidig recht door art. 20 lid 2 WvK wordt verboden.11
Ik sluit mij bij de opvatting van Mohr en Meijers aan en meen dat het ook naar toekomstig recht niet gewenst is aan een goedkeuringsrecht externe werking toe te kennen. De redenen daarvoor zijn tweeërlei. Als eerste is het ongewenst om een wederpartij te confronteren met een pretens goedkeuringsvereiste wanneer hij noch in de gelegenheid is na te gaan of dit in de concrete omstandigheden van het geval inderdaad geldt, noch in de gelegenheid is zich te vergewissen van de identiteit van de commanditair.12 De tweede reden die tot afwijzing van een externe werking van een goedkeuringsvereiste leidt is dat het toekennen van externe werking aan een goedkeuringsrecht de commanditair in de praktijk doorgaans niet in een andere positie zal brengen dan hij zonderdien zou zijn geweest. Wanneer immers de commanditair zich niet zelf jegens de wederpartij op het ontbreken van zijn goedkeuring kan beroepen omdat zulks een overtreding van het bestuursverbod zou zijn, wat mij een juiste conclusie lijkt, dan is hij van de medewerking van de besturende vennoot afhankelijk voor het jegens de wederpartij inroepen van het ontbreken van zijn goedkeuring. Echter, de situatie waarin de commanditair zich genoopt ziet zich tot de besturende vennoot te wenden met het verzoek jegens de wederpartij actie te ondernemen kan zich per definitie alleen voordoen wanneer de besturende vennoot zelf jegens de wederpartij geen melding heeft gemaakt van het ontbreken van deze goedkeuring: als hij daarvan wel melding zou hebben gemaakt zou er voor de commanditair geen aanleiding bestaan de besturende vennoot tot actie te manen. Wanneer de besturend vennoot welbewust het ontbreken van de intern voorgeschreven goedkeuring van de kant van de commanditair jegens de derde verzwijgt is het weinig aannemelijk dat hij dan wel bereid zou zijn namens de commanditair jegens de derde een beroep te doen op het ontbreken van deze toestemming. Slechts in situaties waarin de samenspannende besturende en commanditaire vennoten bewust een situatie zouden willen creëren waarin het de vennootschap mogelijk wordt gemaakt zich achteraf van een door haar aangegane verbintenis te ontdoen door een beroep te doen op het ontbreken van de vereiste goedkeuring van de commanditair zou een dergelijke externe werking in de praktijk denkbaar zijn. Dit is geen belang dat rechtens bescherming verdient. Het lijkt me dus het beste aan een dergelijk goedkeuringsrecht geen externe werking toe te kennen, maar uitsluitend interne werking, dus slechts tussen de vennoten onder elkaar. In dit stelsel schiet de besturende vennoot tekort in de nakoming van de vennootschapsovereenkomst, wanneer hij een rechtshandeling verricht zonder de contractueel bedongen goedkeuring zijdens de commanditair. Op grond daarvan is hij ingevolge art. 6:74 BW jegens de commanditair aansprakelijk voor de schade die de commanditair daardoor mocht lijden. Extern is de vennootschap gebonden.