Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/3.4.5
3.4.5 ‘Überholende’ causaliteit
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284567:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Wolfsbergen 1946, p. 37; Hartkamp 2002, p. 63-66. Zie daarover ook Klaassen 2017, nr. 47.
Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 88.
Klaassen 2017, nr. 27.2. Zij verwijst voor de grond daarvoor naar HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7897, NJ1991/292, m.nt. C.J.H. Brunner (Staat/Vermaat).
Vgl. Tjong Tjin Tai 2018, p. 242 die stelt dat in zo’n geval sprake is van door de eerste gebeurtenis veroorzaakte zaakschade, waardoor de tweede gebeurtenis niet meer daadwerkelijk tot die schade leidt. Dat is uiteraard niet onjuist. Hiervoor lichtte ik echter toe dat de schade eigenlijk moet worden onderscheiden van de (kapotte) toestand.
88. Ten slotte bestaan er gevallen waarin een onrechtmatige gedraging onherroepelijk tot schade zal leiden, maar vervolgens wordt ‘ingehaald’ door een tweede gebeurtenis die tot gevolg heeft dat diezelfde schade direct intreedt. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vergiftiging van een veestapel die nog voordat het vergif zijn dodelijke werk doet, wordt vernietigd door een brand. Ook hier zou men kunnen zeggen dat het csqn-verband ontbreekt, omdat bij het wegdenken van de ene gebeurtenis de schade alsnog zou zijn ingetreden als gevolg van de andere gebeurtenis.
89. Sommigen schrijvers nemen aan dat de veroorzakers van beide gebeurtenissen hoofdelijk aansprakelijk gehouden kunnen worden voor zowel momentschade als voortdurende schade.1 Anderen achten doorslaggevend of de eerste schadeveroorzakende gebeurtenis al tot onomkeerbare vermogensvermindering heeft geleid. Als de veestapel door de vergiftiging al waardeloos is geworden, heeft een vervolgens gestichte brand die schade niet meer tot gevolg.2 Sieburgh acht doorslaggevend of de schade reeds het onafwendbaar gevolg was van de eerste gebeurtenis of niet. Als het vee had willen meedoen aan een schoonheidswedstrijd die door de brand niet meer mogelijk is, terwijl de vergiftiging daaraan niet in de weg had gestaan, dan is de schade die met die wedstrijddeelname verband houdt wel het gevolg van de brand.3 Ook Klaassen acht doorslaggevend of de schade reeds het onafwendbaar gevolg is van de eerste gebeurtenis. De veroorzaker van de tweede gebeurtenis is dan als uitgangspunt niet aansprakelijk.4
90. Ook bij dit type causaliteitsvragen is het onderscheid tussen het onrechtmatig gedrag, de toestand en de schade volgens mij behulpzaam. Het is volgens mij namelijk van belang vast te stellen wát de tweede gebeurtenis precies inhaalt: de toestand die anders door de eerste gebeurtenis zou zijn ingetreden of de schade die door de eerste toestand zou zijn ontstaan?
91. Van een ‘ingehaalde’ toestand is sprake als een automobilist bijna wordt aangereden door een spookrijdende tegenligger, maar vlak daarvoor tegen een boom aanrijdt die een houthakker per ongeluk over de weg heeft laten omvallen. Beide gebeurtenissen zouden ertoe hebben geleid dat de automobilist in volle vaart zou zijn gebotst. Alleen de tweede gebeurtenis leidt daadwerkelijk tot de toestand waaruit de schade voortvloeit.5 Het is daarom begrijpelijk dat enkel de veroorzaker van de tweede onrechtmatige gebeurtenis aansprakelijk is – voor zover de gebeurtenis niet voor risico komt van de gelaedeerde.
92. Het kan ook zijn dat sprake is van ‘inhalen’ van de schade: twee verschillende toestanden treden achter elkaar daadwerkelijk in. Beide toestanden kunnen bepaalde schade tot gevolg hebben, maar de schade treedt enkel door de tweede toestand daadwerkelijk in. Ook hier spreekt het volgens mij het meest aan om enkel degene aansprakelijk te houden die de toestand heeft veroorzaakt die daadwerkelijk tot de schade leidt. Waar de schade al het gevolg is van de eerste toestand, is voor aansprakelijkheid van de veroorzaker van de tweede toestand die tot diezelfde schade zou hebben geleid geen plaats. Als de vergiftigde toestand van de hiervoor ten tonele gevoerde kudde al leidt tot een waarde van nihil, dan heeft de verbrande toestand die waardevermindering niet meer tot gevolg. Enkel de latere brandstichting heeft echter tot gevolg dat niet meer meegedaan kan worden aan de schoonheidswedstrijd. De brandstichter is daarom voor die schade wel aansprakelijk.
93. Het is aannemelijk dat de risico-regel uit Leeuwarden/Los ook voor deze gevalstypen geldt: komt de tweede gebeurtenis die de toestand ook zou hebben veroorzaakt voor rekening van de gelaedeerde, dan blijft de daarmee verband houdende schade wel voor diens rekening. De Hoge Raad heeft zich daarover nog niet expliciet uitgelaten.